Foutieve
verwijswoorden
Verwijswoorden
wijzen vooruit of terug naar woorden, woordgroepen of zinnen. Het
antecedent (datgene waarnaar verwezen wordt) bepaalt welk
verwijswoord je moet gebruiken.
Bij woordgroepen wordt dat bepaald door het kernwoord.
In het Nederlands kennen we mannelijke, vrouwelijke en onzijdige
woorden.
Voorbeelden van
fouten:
Hem werd een
contract aangeboden
die nogal wat onduidelijkheden bevatte
Die moet zijn
dat want het is het contract(o).
De scholier stelde de staatssecretaris voor een probleem
wat
ze niet direct kon oplossen. Wat moet zijn
dat want
het is het probleem (o).
De Nederlandse scholierenbevolking heeft
zijn stem laten
horen. Zijn moet zijn
haar want bevolking is een vrouwelijk
woord(v).
Dat is het beste
dat ik ooit gedaan heb. Dat moet zijn
wat want na de overtreffende trap gebruik
je wat.
Ze doen waar hun zin in hebben. Hun moet zijn
ze.
Hun mag je niet als onderwerp gebruiken.
Meer theorie en oefeningen