Het
gezegde
In een zin staat een
werkwoordelijk gezegde of een naamwoordelijk
gezegde.
1. Het
werkwoordelijk
gezegde bestaat
alleen uit werkwoordsvormen.
Het werkwoordelijk gezegde
bestaat uit
- een persoonsvorm: Hij
maakt de opgave.
- een persoonsvorm en
een of meer andere werkwoordsvormen: Hij
zou de opgave gemaakt
hebben.
Opmerking 1
Als een werkwoord gesplitst is, horen beide delen bij
het gezegde:
Voorbeeld:
Houd direct op met dat stomme
gelach!
Opmerking 2
Bij sommige werkwoorden hoort altijd een
wederkerend voornaamwoord.
Vergissen bijvoorbeeld kan niet zonder voornaamwoord:
Ik vergis me, wij vergissen ons etc. Het
voornaamwoord hoort dan bij het gezegde.
Bij andere werkwoorden kan je het wederkerend voornaamwoord
vervangen door een ander woord: Hij wast zich. Hij wast haar.
(zich/haar = lijdend voorwerp.
Opmerking 3
Als er voor een infinitief 'te' staat hoort dat bij het gezegde.
Voorbeeld:
Hij staat daar te fluiten.
staat te fluiten = werkwoordelijk gezegde.
2. Het
naamwoordelijk
gezegde bestaat
altijd uit een werkwoordelijk deel en naamwoordelijk
deel.
In een naamwoordelijk
gezegde staat altijd een koppelwerkwoord. De
koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, heten, blijven,
schijnen, lijken, blijken en dunken en
voorkomen.
Het werkwoordelijk deel
bestaat uit:
- een koppelwerkwoord
of
- een koppelwerkwoord en
één of meer
werkwoordsvormen
Het naamwoordelijk deel
bestaat uit de rest en wordt door het koppelwerkwoord
aan het onderwerp 'gekoppeld'.
Het naamwoordelijk deel zegt
namelijk altijd iets over het
onderwerp.
Voorbeeld:
De wedstrijd werd een mislukking.
werd een mislukking is het
naamwoordelijk gezegde; werd = werkwoordelijk deel en
koppelwerkwoord;
een mislukking is naamwoordelijk deel en zegt iets
overt het onderwerp namelijk dat het 'een mislukking'
werd.
Veel koppelwerkwoorden
kunnen ook als een gewoon werkwoord in het
werkwoordelijk gezegde voorkomen.
Voorbeelden:
1a. De man
schijnt eerlijk.
schijnt
eerlijk = naamwoordelijk gezegde
schijnt = werkwoordelijk deel
eerlijk = naamwoordelijk deel
1b. De man schijnt met
een schijnwerper.
schijnt =
werkwoordelijk gezegde
met een schijnwerper zegt niets over het
onderwerp (de man)
2a. Mijn vader is
vijftig jaar.
is vijftig
jaar = naamwoordelijk gezegde
is = werkwoordelijk deel
vijftig jaar = naamwoordelijk deel
2b. Mijn vader is op
zijn studeerkamer.
is =
werkwoordelijk gezegde
op zijn studerkamer zegt niets over wat voor een
vader het is.
3a. Ik word kwaad van
al dat gepest.
word kwaad =
naamwoordelijk gezegde
word = werkwoordelijk deel
kwaad = naamwoordelijk deel
3b. Ik word door hen
gepest.
word gepest =
werkwoordelijk gezegde
door hen zegt niets over het onderwerp
(ik)

 |
 |
 |
 |
 |
|
niveau
brugklas
|
niveau
brugklas
|
niveau 2
havo/vwo |
niveau 2
havo/vwo |
niveau 3
havo/vwo |
Meer
oefenen:
