Naarde beginpagina van CambiumNed

 

 

Deze pagina in het Engels

 
Het gezegde

In een zin staat een werkwoordelijk gezegde of een naamwoordelijk gezegde.

1. Het werkwoordelijk gezegde bestaat alleen uit werkwoordsvormen.

Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit

  • een persoonsvorm: Hij maakt de opgave.
  • een persoonsvorm en een of meer andere werkwoordsvormen: Hij zou de opgave gemaakt hebben.

Opmerking 1
Als een werkwoord gesplitst is, horen beide delen bij het gezegde:

Voorbeeld:
Houd
direct op met dat stomme gelach! pastel en animatie Fred Marsman

Opmerking 2
Bij sommige werkwoorden hoort altijd een wederkerend voornaamwoord. Vergissen bijvoorbeeld kan niet zonder voornaamwoord: Ik vergis me, wij vergissen ons etc. Het voornaamwoord hoort dan bij het gezegde.
Bij andere werkwoorden kan je het wederkerend voornaamwoord vervangen door een ander woord: Hij wast zich. Hij wast haar. (zich/haar = lijdend voorwerp.

Opmerking 3
Als er voor een infinitief 'te' staat hoort dat bij het gezegde.

Voorbeeld:
Hij staat daar te fluiten.
staat te fluiten = werkwoordelijk gezegde.
 

2. Het naamwoordelijk gezegde bestaat altijd uit een werkwoordelijk deel en naamwoordelijk deel.

In een naamwoordelijk gezegde staat altijd een koppelwerkwoord. De koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, heten, blijven, schijnen, lijken, blijken en dunken en voorkomen.

Het werkwoordelijk deel bestaat uit:

  • een koppelwerkwoord of 
  • een koppelwerkwoord en één of meer werkwoordsvormen

Het naamwoordelijk deel bestaat uit de rest en wordt door het koppelwerkwoord aan het onderwerp 'gekoppeld'. Het naamwoordelijk deel zegt namelijk altijd iets over het onderwerp.

Voorbeeld:
De wedstrijd werd een mislukking.

werd een mislukking is het naamwoordelijk gezegde; werd = werkwoordelijk deel en koppelwerkwoord;
een mislukking is naamwoordelijk deel en zegt iets overt het onderwerp namelijk dat het 'een mislukking' werd.

 

Veel koppelwerkwoorden kunnen ook als een gewoon werkwoord in het werkwoordelijk gezegde voorkomen.


Voorbeelden:

1a. De man schijnt eerlijk. 
schijnt eerlijk = naamwoordelijk gezegde
schijnt =  werkwoordelijk deel
eerlijk = naamwoordelijk deel

1b. De man schijnt met een schijnwerper.

schijnt = werkwoordelijk gezegde
met een schijnwerper zegt niets over het onderwerp (de man)

2a. Mijn vader is vijftig jaar.

is vijftig jaar  = naamwoordelijk gezegde
is  = werkwoordelijk deel
vijftig jaar = naamwoordelijk deel

2b. Mijn vader is op zijn studeerkamer.

is = werkwoordelijk gezegde
op zijn studerkamer zegt niets over wat voor een vader het is.

3a. Ik word kwaad van al dat gepest.

word kwaad = naamwoordelijk gezegde
word = werkwoordelijk deel
kwaad = naamwoordelijk deel

3b. Ik word door hen gepest.

word gepest = werkwoordelijk gezegde
door hen zegt niets over het onderwerp (ik)

 

De visie van de taalprof op het naamwoordelijk gezegde

 
Oefening werkwoordelijk gezegde Oefening naamwoordelijk gezegde Oefening werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde oefening 4 oefening 5
niveau brugklas niveau brugklas niveau 2 havo/vwo niveau 2 havo/vwo niveau 3 havo/vwo

Meer oefenen:

 

 

 

                                            kruiswoordpuzzel over grammatica