|
|
werkw
|
|
werkwoorden
|
|
- zelfstandige
werkwoorden zijn werkwoorden die op
zichzelf een
gezegde
kunnen vormen.
Ik wil dansen.(dansen kan alleen
een werkwoordelijk gezegde vormen: Wij
dansen.).
|
|
- koppelwerkwoorden
zijn werkwoorden die een
naamwoordelijk
gezegde
helpen vormen.
Koppelwerkwoorden kunnen zijn: zijn, worden,
heten, blijven, schijnen, lijken en blijken.
Hij wordt leraar. Hij is oud. Hij
blijft vervelend.

|
|
- hulpwerkwoorden
helpen
een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde
vormen.
We onderscheiden:
hulpwerkwoorden
van tijd: hebben, zijn
en zullen.
Ik zal morgen gaan. Mijn
zus heeft kilometers gelopen.
Hij is weggegaan.
|
hulpwerkwoorden
van de lijdende
vorm: worden
en zijn.
Je wordt door hen
bedrogen. Mijn fiets is
gemaakt door Leo.
|
de
overige hulpwerkwoorden:
kunnen, mogen,
moeten,willen,laten enz.
Ik wil wel komen. Ik
kan niet komen. Je moet
hem halen.
Oefening

|
|
|
|
lidwoorden
|
lid
Een
lidwoord hoort altijd bij een zelfstandig
naamwoord. Soms staat tussen het lidwoord en het
zelfstandig naamwoord nog een ander woord: het oude boek.
De en het zijn bepaalde lidwoorden;
een is een onbepaald lidwoord.

|
|
naamwoorden
|
mmmm
- Zelfstandige
naamwoorden zijn woorden waar je altijd een
lidwoord voor kunt zetten: (het) boek, (de) ijspret
Infinitieven kunnen voorkomen als zelfstandige
naamwoorden:
Hardlopen
is goed voor je. Schaatsen is erg
populair.
Eigennamen zijn ook zelfstandige naamwoorden. Je schrijft
ze met een hoofdletter: Frits, Zaltbommel, Hema, Nokia enz.
- Bijvoeglijke
naamwoorden kun je voor een zelfstandig naamwoord
zetten. Ze noemen een eigenschap van het zelfstadig
naamwoord.
Bijvoeglijke naamwoorden krijgen in principe de uitgang -e:
Het
goede boek. De moeilijke oefening.
Onhandige jongen.
Er zijn vier situaties waarin een bijvoeglijk
naamwoord niet de uitgang -e krijgt:
1.
Wanneer het zelfstandige naamwoord onzijdig is, krijgt het bijvoeglijk naamwoord
bij de onbepaalde vorm géén uitgang. Bij de bepaalde vorm krijgt het
echter gewoon de uitgang -e:
Een mooi kind - Het mooie kind
2. Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een
materiaal aanduidt, krijgt het de uitgang -en: De houten
lepel, de koperen bel
3.Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een essentieel deel is van de
combinatie met het zelfstandig naamwoord, krijgt het geen -e.
Bijvoorbeeld: Het meewerkend voorwerp, het openbaar onderwijs
4. Soms
wordt tussen een onbepaald lidwoord en het zelfstandig naamwoord een
bijvoeglijk naamwoord zonder -e gebruikt. In dat
geval hebben ze een bijzondere betekenis: Een groot staatsman, een talentvol dichter
Oefening
1
Oefening 2
Oefening 3
( De trappen van
vergelijking)
Oefening 4
(bijvoeglijke naamwoorden van landennamen

|
|
telwoorden
|
tel
- Bepaalde
hoofdtelwoorden geven een getal aan dat precies
vaststaat: twee, elf, drie zestiende, miljoen enz.
- Bepaalde
rangtelwoorden zijn afgeleid van bepaalde
hoofdtelwoorden: tweede(van twee), honderdste (van
honderd), enz.
- Onbepaalde
hoofdtelwoorden geven een hoeveelheid aan die niet
precies vaststaat: veel, zoveel, sommige, alle, enz.
- Onbepaalde
rangtelwoorden zijn meestal afgeleid van onbepaalde
hoofdtelwoorden: hoeveelste (van hoeveel), zoveelste (van
zoveel)
Oefening

|
|
voorzetsels
|
voorz
- Voorzetsels
komen nooit alleen voor. Ze staan aan het begin van
een zinsdeel met een zelfstandig naamwoord of een
voornaamwoord: Zij gaan met vakantie naar
Noorwegen. Geef het maar aan haar.
Oefening

|
|
bijwoorden
|
bijw
Bijwoorden
zeggen iets van:
- Een
gezegde: Hij loopt hard. Vandaag komen
de nieuwe computers. Wanneer gaat hij
weg?
- Een
bijvoeglijk
naamwoord:
Dat is een erg mooie kanarie. Dat is een
tamelijk uitgekookt meisje.
- Een
ander bijwoord:Hij loopt heel snel. Hij
praat erg hard.
Opmerking:
Sommige bijwoorden kunnen gesplitst worden:
Daarbij laat ik het. - Daar laat ik het
bij.
Je benoemt beide delen als één
geheel.
Zie ook: verwijswoorden

|
|
voegwoorden
|
voeg
Voegwoorden
zijn woorden als en, maar, of, want, als, dat enz.
Het zijn verbindingswoorden. Ze verbinden zinnen of
woorden met elkaar: Kom je als je je huiswerk
af hebt? Wil je cola of sinas?
Opmerking:
Voegwoorden zijn nooit een zinsdeel of zinsdeelstuk.
Oefening

|
|
voornaamwoorden
|
vnw
|
|
persoonlijk
vnw
|
bezittelijk
vnw
|
wederkerend
vnw
|
|
|
als
onderwerp
|
als
voorwerp
|
|
|
|
1e
|
ik
|
mij,
me
|
mijn
|
me
|
|
2e
|
jij,
je, u
|
jou,
je, u
|
jouw,
je uw
|
je,
u
|
|
3e
|
hij
zij, ze, het
|
hem
haar, het
|
zijn
haar, zijn
|
zich
|
|
1e
|
wij.
we
|
ons
|
ons,
onze
|
ons
|
|
2e
|
jullie,
u
|
jullie,
je , u
|
jullie,
uw
|
je,
u
|
|
3e
|
zij,
ze
|
hen (LV, VV
en
na een voorzetsel
hun (MV)
ze (LV,MV,VV)
|
hun
|
zich
|
|
|
|
Opmerking:
Het als pers. vnw. is altijd een zinsdeel; je kunt
het vervangen door het ding of de
zaak: Hij geeft het aan haar. Hij geeft het
ding aan haar.
|
|
|
wederkerig
vnw. : elkaar(s),
elkander
|
|
|
|
aanwijzend
vnw.: die,
deze, dat, dit, zo'n, dezelfde, zulke en zelf
|
|
|
|
vragend
vnw. :
wie,
wat, welke en wat voor (een)
|
|
|
|
betrekkelijk
vnw.: die,
dat, wie en wat
|
|
|
Opmerkingen:
- betrk.
vnw. verwijzen naar een voorafgaand zinsdeel: het
antecedent. Het antecedent staat altijd in
dezelfde zin.
Voorbeelden:
De man die daar staat, is zijn vader.
Het meisje aan wie ik het vroeg, zie ik niet
meer.
- Wat
kan ook een zin als antecedent hebben: je kunt het dan
vervangen door en dat:
Het feest gaat morgen niet door, wat me lelijk tegen
valt. Het feest gaat morgen niet door en dat valt me
lelijk tegen.
- Wie
en wat kunnen ook een ingesloten antecedent
hebben: je kunt wie/wat dan vervangen door de
man die/het ding dat: Wie dat zegt, geloof ik
niet. - De man die dat zegt, geloof ik
niet.
Oefening
(Het gebruik van hun of hen)
Oefening
(Hun
of hen?)
(niveau bovenbouw havo/vwo)nieuw!
Oefening
(betrekkelijke
voornaamwoorden)
Oefening
(aanwijzende voornaamwoorden)
Oefening
voornaamwoorden
Oefening u
of uw, jou of jouw
|
|
|
Onbepaalde voornaamwoorden
zijn
woorden als men, (n)iemand, (n)iets, ieder(een),
alles, elk,wat, enig(e), het een of ander.
Opmerkingen:
- Het
kan lidwoord, persoonlijk vnw. of onbepaald vnw.
zijn.
het als lidwoord : hoort bij een zelfstandig
naamwoord: het meisje
het als pers. vnw. verwijst naar iets wat
voorafgaat of volgt: Het lijkt me logisch dat hij dat
doet.
Het als onbepaald vnw. staat op zichzelf: Het
vriest
- Het
onbepaald vnw. wat kun je vervangen door iets
of een beetje: Wil je wat voor mij
doen? - Wit je iets voor mij doen?
Zie ook: verwijswoorden
Oefening

Tussenwerpsels
Tussenwerpsels
zijn woorden als ach,
jaja, vet, donders, hihi, heremijntijd, hemeltjelief, hoeps.

Het zijn geen
zinsdelen of zinsdeelstukken: je hoeft ze dus ook niet als zodanig te
benoemen.
Voorbeelden:
Bah, wat een
smerig verhaal!
Donders, dat had ik niet verwacht.
Zie ook:
http://www.allesopeenrij.nl
Oefening alle
woordsoorten door elkaar
Oefening alle
woordsoorten door elkaar


|