bijvoeglijk naamwoord, betetrekkelijk voornaamwoord (met ingesloten antecedent), voegwoord, koppelwerkwoord, lidwoord, voorzetzel, bijwoord, vragend voornaamwoord??

 

  Woordsoorten

Meer oefenen:

kruiswoordpuzzel over grammatica
 

 
Web nl.wiktionary.org
www.cambiumned.nl

       

persoonsv. gezegde onderw. lijd. voorw. meew. vw. voorz.vw. bijw.bep. bijv. bep. bep.v.gesteldheid sg. zin lijd. en bedrijv. vorm tijden

 

 

werkw

werkwoorden

 

  • zelfstandige werkwoorden zijn werkwoorden die op zichzelf een gezegde kunnen vormen.
    Ik wil dansen.(dansen kan alleen een werkwoordelijk gezegde vormen: Wij dansen.).

 

  • koppelwerkwoorden zijn werkwoorden die een naamwoordelijk gezegde helpen vormen.
    Koppelwerkwoorden kunnen zijn: zijn, worden, heten, blijven, schijnen, lijken en blijken.
    Hij wordt leraar. Hij is oud. Hij blijft vervelend.

 

  • hulpwerkwoorden helpen een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde vormen.
    We onderscheiden:

hulpwerkwoorden van tijd: hebben, zijn en zullen.
Ik zal morgen gaan. Mijn zus heeft kilometers gelopen. Hij is weggegaan.
hulpwerkwoorden van de lijdende vorm worden en zijn.
Je wordt door hen bedrogen. Mijn fiets is gemaakt door  Leo.
de overige hulpwerkwoorden: kunnen, mogen, moeten,willen,laten enz.
Ik wil wel komen. Ik kan niet komen. Je moet hem halen.

Oefening

    lidwoorden

lid
Een lidwoord hoort altijd bij een zelfstandig naamwoord. Soms staat tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord nog een ander woord: het oude boek. De en het zijn bepaalde lidwoorden; een is een onbepaald lidwoord.

   naamwoorden

mmmm

  • Zelfstandige naamwoorden zijn  woorden waar je altijd een lidwoord voor kunt zetten: (het) boek, (de) ijspret
    Infinitieven kunnen voorkomen als zelfstandige naamwoorden:

    Hardlopen is goed voor je. Schaatsen is erg populair.
    Eigennamen zijn ook zelfstandige naamwoorden. Je schrijft ze met een hoofdletter: Frits, Zaltbommel, Hema, Nokia enz
  • Bijvoeglijke naamwoorden kun je voor een zelfstandig naamwoord zetten. Ze noemen een eigenschap van het zelfstadig naamwoord.
    Bijvoeglijke naamwoorden krijgen in principe de uitgang -e:
    Het goede boek. De moeilijke oefening. Onhandige jongen.

    Er zijn vier situaties waarin een bijvoeglijk naamwoord niet de uitgang -e krijgt:
    1. Wanneer het zelfstandige naamwoord onzijdig is, krijgt het bijvoeglijk naamwoord bij de onbepaalde vorm géén uitgang. Bij de bepaalde vorm krijgt het echter gewoon de uitgang -e: Een mooi kind  -  Het mooie kind

    2. Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een materiaal aanduidt, krijgt het de uitgang -en:
    De houten lepel, de koperen bel

    3.Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een essentieel deel is van de combinatie met het zelfstandig naamwoord, krijgt het geen -e. Bijvoorbeeld: Het meewerkend voorwerp, het openbaar onderwijs

    4. Soms
    wordt tussen een onbepaald lidwoord en het zelfstandig naamwoord een  bijvoeglijk naamwoord zonder -e gebruikt. In dat geval hebben ze een bijzondere betekenis: Een groot staatsman, een talentvol dichter

Oefening 1

Oefening 2

Oefening 3 ( De trappen van vergelijking)

Oefening 4 (bijvoeglijke naamwoorden van landennamen

   telwoorden

tel

  • Bepaalde hoofdtelwoorden geven een getal aan dat precies vaststaat: twee, elf, drie zestiende, miljoen enz.
  • Bepaalde rangtelwoorden zijn afgeleid van bepaalde hoofdtelwoorden: tweede(van twee), honderdste (van honderd), enz.
  • Onbepaalde hoofdtelwoorden geven een hoeveelheid aan die niet precies vaststaat: veel, zoveel, sommige, alle, enz.
  • Onbepaalde rangtelwoorden zijn meestal afgeleid van onbepaalde hoofdtelwoorden: hoeveelste (van hoeveel), zoveelste (van zoveel) 

Oefening

   voorzetsels

voorz

  • Voorzetsels komen nooit alleen voor. Ze staan aan het begin van een  zinsdeel met een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord: Zij gaan met vakantie naar Noorwegen. Geef het maar aan haar.

Oefening

   bijwoorden

bijw

Bijwoorden zeggen iets van:
  • Een gezegde: Hij loopt hard. Vandaag komen de nieuwe computers. Wanneer gaat hij weg?
  • Een bijvoeglijk naamwoord: Dat is een erg mooie kanarie. Dat is een tamelijk uitgekookt meisje.

  • Een ander bijwoord:Hij loopt heel snel. Hij praat erg hard.

    Opmerking:
    Sommige bijwoorden kunnen gesplitst worden: Daarbij laat ik het. - Daar laat ik het bij.
    Je benoemt beide delen als één geheel.

    Zie ook:
    verwijswoorden 


   voegwoorden

 voeg

Voegwoorden zijn woorden als en, maar, of, want, als, dat enz. Het zijn verbindingswoorden. Ze verbinden zinnen of woorden met elkaar: Kom je als je je huiswerk af hebt? Wil je cola of sinas?

Opmerking:
Voegwoorden zijn nooit een zinsdeel of zinsdeelstuk.

Oefening

 voornaamwoorden

 vnw

persoonlijk vnw

bezittelijk vnw

wederkerend   vnw

als onderwerp

als voorwerp

1e

ik

mij, me

mijn

me

2e

jij, je, u

jou, je, u

jouw, je uw

je, u

3e

hij
zij, ze, het

hem
haar, het

zijn
haar, zijn

zich

1e

wij. we

ons

ons, onze

ons

2e

jullie, u

jullie, je , u

jullie, uw

je, u

3e

zij, ze

hen (LV, VV en 
na een voorzetsel
hun (MV)
ze (LV,MV,VV)

hun


zich


    


Opmerking:
Het als pers. vnw. is altijd een zinsdeel; je kunt het vervangen door het ding of de zaak: Hij geeft het aan haar. Hij geeft het ding aan haar.

 

 

           wederkerig vnw.  : elkaar(s), elkander

 

    

           aanwijzend vnw.: die, deze, dat, dit, zo'n, dezelfde, zulke en zelf 

 

    

           vragend vnw.     : wie, wat, welke en wat voor (een)

 

    

           betrekkelijk vnw.: die, dat, wie en wat 

 


Opmerkingen:
  • betrk. vnw. verwijzen naar een voorafgaand zinsdeel: het antecedent. Het antecedent staat altijd in dezelfde zin.
    Voorbeelden: 
    De man die daar staat, is zijn vader.
    Het meisje aan wie ik het vroeg, zie ik niet  meer.
  • Wat kan ook een zin als antecedent hebben: je kunt het dan vervangen door  en dat:
    Het feest gaat morgen niet door, wat me lelijk tegen valt. Het feest gaat morgen niet door en dat valt me lelijk tegen.
  • Wie en wat kunnen ook een ingesloten antecedent hebben: je kunt wie/wat dan vervangen door de man die/het ding dat: Wie dat zegt, geloof ik niet. - De man die dat zegt, geloof ik niet.

Oefening (Het gebruik van hun of hen)

Oefening (Hun of hen?) (niveau bovenbouw havo/vwo)nieuw!

Oefening (betrekkelijke voornaamwoorden)

Oefening (aanwijzende voornaamwoorden)

Oefening voornaamwoorden

Oefening u of uw, jou of jouw

 

Onbepaalde voornaamwoorden
zijn woorden als men, (n)iemand, (n)iets, ieder(een), alles, elk,wat, enig(e), het een of ander.
 

Opmerkingen:

  • Het kan lidwoord, persoonlijk vnw. of onbepaald vnw. zijn.
    het als lidwoord : hoort bij een zelfstandig naamwoord: het meisje
    het als pers. vnw. verwijst naar iets wat voorafgaat of volgt: Het lijkt me logisch dat hij dat doet.
    Het
    als onbepaald vnw. staat op zichzelf: Het vriest
  • Het onbepaald vnw. wat kun je vervangen door iets of een beetje: Wil je wat voor mij doen? - Wit je iets voor mij doen?

    Zie ook:
    verwijswoorden 

Oefening

 

Tussenwerpsels

Tussenwerpsels zijn woorden als ach, jaja, vet, donders, hihi, heremijntijd, hemeltjelief, hoeps.              

Het zijn geen zinsdelen of zinsdeelstukken: je hoeft ze dus ook niet als zodanig te benoemen.

Voorbeelden:

Bah, wat een smerig verhaal!
Donders, dat had ik niet verwacht.

Zie ook: http://www.allesopeenrij.nl

 

Oefening  alle woordsoorten door elkaar

Oefening  alle woordsoorten door elkaar