Noteer de juiste letters (alt
130 = é, alt 137 = ë, alt 138 = è).
Schrijf de werkwoorden in de juiste vorm (t.t. = tegenwoordige tijd, v.t. verleden tijd, v.d. = voltooid deelwoord en o.d. = onvoltooid deelwoord).
Als er volgens jou niets moet worden ingevuld zet je een -.