1.Ik heb
dat boek al gegeven.
2.Die stank maakt
misselijk.
3.Je kunt
ook vragen of ze op je feestje komen.
4.Ik hoorde
al op de trap schreeuwen.
5.Verder heeft niemand dat van
gekregen.
6.We hebben het
al verteld.
7.We zullen de beker morgen aan
overhandigen.
8.Je kunt
vragen iets voor
te doen.
9.Ik heb
dat ook zien doen.
10. Gisteren zag ik
nog op school.
