1.
rookt leeft erg onverstandig.
2. Het schilderij
je hebt opgehangen hangt scheef.
3. Iets
ik niet begrijp, is dat je je daar druk over maakt.
4. Het slechte weer
we verwachtten, bleef uit.
5. Ik zie, ik zie
jij niet ziet.
6. De gewonde hond
ik vond, jankte heel zielig.
7. Is dat alles
we nodig hebben.
8. Het eerste
hij deed, was een douche nemen.
9. Hij kwam telkens te laat,
me behoorlijk irriteerde.
10. De poster achter in het lokaal,
mijn collega heeft opgehangen, is verdwenen.
11. Het werk
hij op vrijdagmiddag bij de Konmar doet, levert niet veel op.
12. Het boek
hij aanprees, heb ik gekocht.
13. De vriend met
hij zou gaan, is ziek geworden.
14. Jochem,
voor de vierde keer gespijbeld had, werd geschorst.
15. Daar is het meisje van
ik een e-mail kreeg.
