1. De muren heeft hij gisteren blauw geverfd.
- de muren
- gisteren
- blauw
- geverfd
2. De speler liep woedend van het veld.
- de speler
- liep
- van het veld
- woedend
3. Razend gooide hij het schrift naar de leerling.
- razend
- hij
- het schrift
- naar de leerling
4. In het begin was hij als bondscoach niet geliefd.
- in het begin
- als bondscoach
- niet
- geliefd
5. De verslaggever maakt me doodziek met zijn geklets.
- de verslaggever
- me
- met zijn geklets
- doodziek
6. Na de wedstrijd lag hij nog uren wakker in zijn bed.
- na de wedstrijd
- nog
- wakker
- in zijn bed
7. Hij liep rustig naar de penaltystip.
- hij
- liep
- rustig
- naar de penaltystip
8. De leraar vond hem maar kleinzielig.
- de leraar
- vond
- hem
- kleinzielig
9. Frankrijk bewees zich in de laatste wedstrijd als kampioen.
- Frankrijk
- bewees zich
- in de laatste wedstrijd
- als kampioen
10. Na de lange tocht kwam hij hongerig thuis.
- na de lange tocht
- kwam
- hongerig
- thuis