![]() |
Aangepast zoeken
|
|
| Theorie | Alle oefeningen op CambiumNed |
|
Welk(e) woord(en) vormt(en) de bepaling van gesteldheid?
1. De muren heeft hij gisteren blauw geverfd.
2. De speler liep woedend van het veld.
3. Razend gooide hij het schrift naar de leerling.
4. In het begin was hij als bondscoach niet geliefd.
5. De verslaggever maakt me doodziek met zijn geklets.
6. Na de wedstrijd lag hij nog uren wakker in zijn bed.
7. Hij liep rustig naar de penaltystip.
8. De leraar vond hem maar kleinzielig.
9. Frankrijk bewees zich in de laatste wedstrijd als kampioen.
10. Na de lange tocht kwam hij hongerig thuis.