1. Gisteren zouden wij op het IJsselmeer gaan zeilen.
- zouden gaan zeilen
- gisteren en op het
IJsselmeer
- gisteren
- op het IJsselmeer
- we
2. Vanmorgen heeft hij haar het nieuws al verteld.
- vanmorgen
- haar
- het nieuws
- vanmorgen en al
- hij
3. Volgende week moet je hem maar gaan helpen.
- maar
- moet gaan helpen
- volgende week en maar
- je
- hem
4. Tijdens de voorstelling voor de brugklassen was het erg rumoerig in de zaal.
- tijdens de voorstelling
- tijdens de voorstelling voor de brugklassen en in de zaal
- erg rumoerig
- het
- tijdens de voorstelling en in de zaal
5. Dat jaar ben ik vaak ziek geweest.
- dat jaar
- ben geweest
- ziek
- dat jaar en vaak
- vaak
6. In deze rustige week voor
Pasen gaan we een paar dagen naar de Ardennen.
- in deze rustige week
- in deze rustige week en een paar dagen
- naar de Ardennen
- voor
Pasen
- in deze rustige week voor
Pasen, een paar dagen en naar de Ardennen
7. Zij gaat met de fiets of brommer naar het popconcert.
- met de fiets en naar het popconcert
- met de fiets of brommer en naar het popconcert
- zij
- gaat
8. Bij die leraar mag je soms snoepen.
- bij die leraar
- je
- mag snoepen
- bij die leraar en soms
9. Zonder geluid kwam hij binnen.
- zonder geluid
- hij
- kwam
- binnen
10. Door het droge voorjaar is het waterpeil gezakt.
- voorjaar
- door het droge voorjaar
- het waterpeil
- gezakt
11. Na afloop van het debat moesten een paar leerlingen helpen bij het opruimen van de stoelen.
- na afloop
- bij het opruimen van de stoelen
- na afloop van het debat en bij het opruimen van de stoelen
- een paar leerlingen
- moesten helpen
12. Na de onweersbui kwam ze snel naar huis.
- na de onweersbui
- snel en naar huis
- na de onweersbui, snel en naar huis
- ze
13. Waarom hebben jullie dat niet aan mij gegeven?
- waarom en niet
- dat
- aan mij
- waarom
- jullie
14. Met dat spel kun je je urenlang vermaken.
- met dat spel
- urenlang
- urenlang en met dat spel
- kun vermaken