werkwoord
betekenis
hij/zij/het (t.t)
voltooid deelwoord
1. crashen
ineenzakken
crashddtedett
gecrashddtedett
2. bingoën
bingo spelen
bingooddtedett
gebingooddtedett
3. beachvolleyen
strandvolleybal spelen
beachvolleyddtedett
gebeachvolleyddtedett
4. managen
besturen
managddtedett
gemanagddtedett
5. teambuilden
de onderlinge band versterken
teambuilddtedett
geteambuilddtedett
6. debaten
discussiëren
debatddtedett
gedebatddtedett
7. stalken
iemand steeds lastigvallen
stalkddtedett
gestalkddtedett
8. spurten
rennen
spurddtedett
gespurddtedett
9. stagediven
vanaf podium het publiek induiken
stagedivddtedett
gestagedivddtedett
10. skeeleren
rolschaatsen
skeelerddtedett
geskeelerddtedett
11. wordfeuden
wordfeud spelen
wordfeuddtedett
gewordfeuddtedett