Oefening 4 gezegde (niveau 2 havo/vwo)                             

Ontleed de volgende zinnen.
Bepaal of de zinsdelen gezegde (naamwoordelijk of werkwoordelijk), onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp of bijwoordelijke bepaling zijn.

Gebruikte afkortingen:
naamwoordelijk gezegde (werkwoordelijk deel = ng wd en naamwoordelijk deel = ng nd), wg= werkwoordelijk gezegde. o = onderwerp, lv = lijdend, mv = meewerkend voorwerp en bwb = bijwoordelijke bepaling

1.  Ajax speelde gisteren een goede wedstrijd .

2.  Morgen gaan we naar NEC .

3.  Melanie werd na het feestje ziek .

4.  Elke zaterdag harkte opa de tuin .

5.  De opgave bleek haar te moeilijk .

6.  Ondanks alles bleef de jongen rustig .

7.  De jongens zijn altijd vrienden gebleven .

8.  Zij hebben hun dochter vorige maand een nieuwe computer gegeven .

9.  Pas de volgende ochtend werden ze wakker .

10. Zal het schoolfeest gezellig zijn ?

11.  Mijn broer is de langste jongen van de klas .

12.  De nieuwe handleiding lijkt mij handig .

13.  De scheidsrechter bleef ondanks de spreekkoren kalm .

14.  Dat verhaal over de automobilist kon niet waar zijn .

 

      Oefening alle zinsdelen door elkaar (moeilijk)