Welk(e) woord(en) vormt(en) het lijdend voorwerp? Als je het antwoord niet weet, kun je de 'hint'-knop gebruiken. Je krijgt dan de eerste letter van het goede antwoord te zien. Als je denkt dat de zin geen lijdend voorwerp heeft, vul dan in: geen lijdend voorwerp.
1. Morgen moet je hem maar gaan helpen.
2. Wanneer knap je die fiets op?
3. Dat meisje is de knapste leerling
4. De minister zou hem gewaarschuwd hebben.
5.De hoge waterstand heeft grote problemen veroorzaakt.
6. Zij heeft dat al gedaan.
7. Na een lange en vermoeiende tocht werd de terugtocht aanvaard.
8.Die jongen heeft het nu wel begrepen.
9. De post brengt ons steeds vaker reclame.
10. Door de staking ontstonden enorme vertragingen.