Welk(e) woord(en) vormt(en) het meewerkend voorwerp? Als je het antwoord niet weet, kun je de 'hint'-knop gebruiken. Je krijgt dan de eerste letter van het goede antwoord te zien. Als je denkt dat de zin geen meewerkend
voorwerp heeft, vul dan in: geen meewerkend voorwerp.
1. De directeur gaf haar een mooi cadeau.
de directeur
gaf
haar
een mooi cadeau
2. Het vakantiewerk heeft ons vijftig euro opgeleverd.
het vakantiewerk
heeft
vijftig euro
ons
opgeleverd
3. Voor de school stond een groep jongens.
voor de school
stond
een groep jongens
geen meewerkend voorwerp
4. Die overtreding kostte hem de gele kaart.
die overtreding
kostte
hem
de gele kaart
5. Hij liet haar zijn website zien.
hij
liet
haar
zijn website
zien
6. De winnaar wordt een boekenpakket aangeboden.
de winnaar
wordt
een boekenpakket
aangeboden
7. Zij heeft hem het nieuwtje al verteld.
zij
heeft
hem
het nieuwtje
al
verteld
8. Heb je voor mij ook een blikje meegebracht.
heb
je
voor mij
een blikje
meegebracht
9. Bij de opening van de schouwburg hebben ze alle bezoekers een drankje aangeboden.
bij de opening van de schouwburg
hebben
ze
alle bezoekers
een drankje
aangeboden
10. Waarom hebben jullie dat aan hem gegeven?
waarom
hebben
jullie
dat
aan hem
gegeven
11. Hem geef ik niets.
hem
geef
ik
niets
12. Belangstellenden worden inlichtingen verstrekt door de rector.