1. Hij viel in de modder.
2. De aannemer heeft het huis ongeverfd opgeleverd.
3. Tussen Den Haag en Zoetermeer is een enorme file ontstaan.
4. Zij lijkt voor deze baan de beste kandidaat.
5. Hij zou haar het goede nieuws al verteld hebben.
6. De kandidaat zal wel erg boos worden.
7. Mijn moeder zou ook wel eens kunnen afdrogen.
8. De schaatser zou eigenlijk geen prijs hebben gekregen.
9. Waarom zou zij zo onbetrouwbaar lijken?
10. Hij rekende niet op een onvoldoende.
11. Heb je voor mij ook een pilsje meegebracht?
12. De posters zullen op tijd bezorgd worden.
13. Hij zou dat nooit gedaan kunnen hebben.
14. Had je me dat maar eerder verteld.
15. Hij zal op dat moment gefloten hebben.
16. Ik zou jou wel eens hebben durven zien blijven staan kijken.
