HORIZONTAAL |
| 5. |
Het zinsdeel dat o.a. iets zegt over waar iets plaatsvindt. noemen we: ....... . |
|
6. |
Wat is het onderwerp in de volgende zin? Dat boek heeft Marian gisteren van de leraar geleend.
|
| 7. |
Een zin met een ...... gezegde heeft een gezegde waarin alleen werkwoorden staan.
|
| 8. |
Een ...... heb je nodig om een zin met een naamwoordelijk gezegde te kunnen maken. |
|
9. |
Het woord 'niet' is een .....woord |
|
10. |
Een zin met twee of meer persoonsvormen noemen we een ..... zin. |
|
11. |
Rotterdam is een ...... naamwoord . |
|
12. |
Wat voor een werkwoord is 'hebben' in de zin: Hebben zij dat gemaakt? |
|
13. |
In welke tijd staat de zin: Zij zal het gedaan hebben. |
|
14. |
Ik vind dat een erg leuk programma. Wat voor een bepaling is 'erg leuk'? |
|
16. |
Zich is altijd een ...... voornaamwoord. |
|
17. |
Wie de wedstrijd wint, gaat naar Duitsland. Wat voor een bijzin is 'wie de wedstrijd wint'? |
|
18. |
In de zin 'Hij is leraar in Amsterdam.' is het werkwoordelijk gedeelte van het naamwoordelijk gezegde ...... |
|
19. |
'Elkaar' is altijd een ...... voornaamwoord. |
|
20. |
We noemen een werkwoord ...... als het in de zin aangeeft de tijd en enkelvoud of meervoud.
|
| 22. |
Het zinsdeel waar je aan of voor kunt zetten noemen we ....... voorwerp. |
|
23. |
'Ik' is een ...... voornaamwoord. |
|
25. |
Een ander woord voor het hele werkwoord is.......? |
|
26. |
De zin 'Dat programma wordt vanavond door BNN uitgezonden.' staat in de ....... vorm.' |
|
27. |
Woorden die een getal, volgorde of hoeveelheid aangeven noemen we.......? |