
Vul een passend verbindingswoord in en zeg ook welk verband het aangeeft. Gebruik geen hoofdletters!
Kies uit de volgende verbindingswoorden: als, doordat, dus, hoewel, mits, omdat, om te, soortgelijke, te danken aan, tenzij, verder en wanneer.
Kies uit de volgende verbanden: tijd, opsomming, tegenstelling, vergelijking oorzaak - gevolg, doel - middel, voorbeeld/toelichting, reden/verklaring/argument, voorwaarde, samenvatting/conclusie.