HET LIJDEND
VOORWERP

Je vindt het lijdend voorwerp in
een zin door te vragen:
wie/wat +gezegde +onderwerp?
Voorbeelden
- Hij maakt zijn huiswerk.
Wat maakt hij?
antwoord: zijn huiswerk
zijn huiswerk is lijdend voorwerp
- De jongens gooiden
sneeuwballen.
Wat gooiden de jongens?
antwoord: sneeuwballen
sneeuwballen is lijdend voorwerp
- Razend gooide de leraar een
krijtje door de klas.
Wat gooide de leraar?
antwoord: een krijtje
een krijtje is lijdend voorwerp
- Ze waarschuwden hem niet op
tijd.
Wie waarschuwden ze?
antwoord: hem
hem is lijdend voorwerp
Opmerking:
Controleer eerst of er een koppelwerkwoord in de zin staat want
in een zin met een naamwoordelijk gezegde staat geen lijdend
voorwerp.
Een andere manier om het lijdend
voorwerp te vinden is de volgende:
zet een zin die in de bedrijvende vorm staat in de lijdende vorm.
Het lijdend voorwerp wordt dan onderwerp.
Zie:

In een zin die in de lijdende
vorm staat, komt nooit een lijdend voorwerp voor.