De lijdende (passieve) en bedrijvende (actieve) vorm
Bekijk de
volgende zinnen:
1. De man
koopt een computer.
2. Een
computer wordt door de man gekocht.
Zin 1 staat in
de bedrijvende (actieve vorm). In deze zin staat een
werkwoordelijk gezegde (koopt), een onderwerp (de man) en
een lijdend voorwerp (een computer).
Deze zin kun je in
de lijdende (of passieve) vorm (zin 2) zetten. Er veranderen
dan drie dingen:
1. Het lijdend voorwerp wordt onderwerp.
2. Het onderwerp wordt een bijwoordelijke bepaling die
begint met
door.
3. In
het gezegde komt een vorm van het hulpwerkwoord
worden
te staan.
Let op!
Als een
bedrijvende zin in de
onvoltooide
tijd staat, moet je in de lijdende zin het hulpwerkwoord
worden
gebruiken.
Als je een
bedrijvende zin in de
voltooide
tijd omzet in een lijdende zin, moet je het hulpwerkwoord
zijn
gebruiken.
Als je zinnen
omzet van de bedrijvende vorm naar de lijdende vorm of
andersom moet de
tijd
van de zin hetzelfde blijven.
Zie voor het
bepalen van de tijd van een zin de pagina
tijden.
Voorbeelden:
1. De man
heeft de computer gekocht. (v.t.t.)
De computer
is door de man gekocht. (v.t.t.)
2. De man zal
de computer kopen. (o.t.t.t.)
De
computer zal door de man gekocht worden. (o.t.t.t.)
3. De man zou
de computer gekocht hebben. (v.v.t.t.)
De computer
zou door de man gekocht zijn.
(v.v.t.t.)
