Hoofd- en bijfiguren zijn
personages
in een roman of verhaal.We maken onderscheid tussen
karakters (round characters) en types (flat
characters).
Stel vast wie/wat de belangrijkste hoofdperso(o)n(en) en
bijperso(o)n(en) zijn. Wat zijn hun onderlinge relaties?
Beschrijf zowel het uiterlijk als innerlijk.
Als een hoofdpersoon niet uitnodigt tot identificatie spreek
je van een antiheld.
Van een karakter kom je veel over zijn gevoelens en
gedachten te weten.
Een karakter maakt een ontwikkeling door. Types
leer je oppervlakkig kennen en vooral het uiterlijk wordt
beschreven.
Als de naam van een verhaalfiguur een extra betekenis heeft
spreek je van een speaking name. Identificatie (je kunnen inleven in de hoofdfiguur)
is erg belangrijk voor de spanning in een verhaal.
Tijd
Een schrijver speelt met de tijd
om het verhaal spannend te maken.
Worden de gebeurtenissen in de volgorde verteld waarin ze
zich hebben afgespeeld dan noem je het een chronologisch
verhaal.
De fabel van een verhaal is een korte zakelijke
chronologische weergave van de belangrijkste gebeurtenissen.
Een sujet is een samenvatting in de volgorde van het
boek.
Een flashback onderbreekt de chronologie van een
verhaal, is een terugblik in het verleden. Een flashforward verwijst naar iets wat nog te
gebeuren staat.
Als de schrijver stukken tijd samenvat in
een aantal woorden spreek je van tijdverdichting.
Je spreekt van een tijdsprong als de
schrijver periodes overslaat (regels wit) en daar geen
woorden aan besteedt.
Laat de schrijver de gebeurtenissen langer
duren dan ze normaal aan tijd gekost zouden hebben dan maakt
hij gebruik van tijdvertraging.
De vertelde tijd geeft aan hoelang de
gebeurtenissen hebben geduurd (uren, dagen, jaren...).
De verteltijd is de tijd die
schrijver nodig heeft om het verhaal te vertellen ( je drukt
de verteltijd uit in regels, pagina's).
Spanning/open plekken
Open plekken zijn plekken in een verhaal die vragen
oproepen bij de lezer. Bepaalde informatie kan tegenstrijdig
zijn en de lezer moet er dan achter komen wat juist is. Ook
kan een schrijver bepaalde informatie achterhouden.
Een lezer kan zich ook afvragen waarom een personage zich
gedraagt zoals hij zich gedraagt. Het zijn dus nog niet
ingevulde stukken van een verhaal die je als lezer wil
invullen
Open plekken zorgen voor spanning, zorgen ervoor dat
een lezer wil weten hoe het verhaal verder gaat.
Ruimte en handeling
Onder de ruimte verstaan
we niet alleen de plaats van handeling, maar ook het
weer, seizoen, verleden en
toekomst. De ruimte zorgt voor sfeer en spanning. Past de
ruimte bij de handeling dan spreek je van overeenkomst
tussen ruimte en handeling. Omgekeerd spreek je van
contrast tussen ruimte en handeling.
Perspectief en verteller
We onderscheiden
de volgende perspectieven:
1. Ik-perspectief Er is een ik-figuur die beschrijft wat hij meemaakt of
heeft meegemaakt. De ik-figuur is tevens
de ik-verteller.
2. Personaal (hij/zij-) perspectief Er is een hij- of zij-figuur door wiens
ogen je de gebeurtenissen meemaakt. Je hebt hier te maken
met een hij/zijverteller (= personale verteller)
3. Alwetend of auctoriaal perspectief
De alwetende (auctoriale) verteller neemt niet deel aan de
handeling en geeft commentaar op de gebeurtenissen.
Thematiek
1. Motieven Motieven zijn steeds terugkerende elementen in een
verhaal.We onderscheiden drie soorten motieven:
a. Abstracte motieven (literair historische motieven)
Het gaat hierbij over abstracte (ongrijpbare) begrippen als
onmacht, liefde, toeval, eenzaamheid, oorlog.
b. Leidmotieven
Het gaat hier over terugkerende tastbare zaken. Deze hebben
een symbolische betekenis.
Een dobbelsteen (toeval) kan bijvoorbeeld een leidmotief
zijn.
c. Klassieke motieven
Het gaat hier om verhaalelementen die we al in klassieke verhalen
tegenkomen. Denk aan
het oedipusmotief en assepoestermotief.
2. Thema Het thema (grondmotief ) is de kortste aanduiding van
het centrale probleem
waar het verhaal over gaat.
3.
Titelverklaring De titel zegt vaak iets over het thema. Soms is de titel
duidelijk (De aanslag), maar soms zul je verder moeten
zoeken om de betekenis te duiden (Van de koele meren des
doods).
4. Motto Een motto (vaak een citaat of tekstfragment voor in het
boek) geeft de bedoeling van het boek weer. Lang
niet elk boek heeft een motto. Een motto is niet hetzelfde
als een opdracht.
Stijl
Als je het hebt
over stijl van een schrijver hebt, bedoel je alles
wat opvallend is aan zijn taalgebruik. Je let op zijn zinnen
(kort of lang), gebruik van bijvoeglijke en zelfstandige
naamwoorden, moeilijk of makkelijk woordgebruik, veel/weinig
gebruik van stijlfiguren etc.