Het meewerkend
voorwerp
Een meewerkend
voorwerp kan met
aan
of
voor
beginnen. Als deze woorden er niet voor staan, kun je ze er voor
zetten. In zinnen met een meewerkend voorwerp staat vaak een
lijdend
voorwerp.
Als je
aan
of voor
weglaat of
toevoegt moeten meewerkend voorwerp en lijdend voorwerp soms wel van
plaats veranderen om een goede zin te krijgen.
voorbeeld:

Je vindt het
meewerkend voorwerp door te vragen:
Aan (voor) wie + gezegde+onderwerp+lijdend voorwerp? (Je moet wel
controleren of je aan of voor kunt toevoegen of weglaten.)
voorbeelden:
1. Het meisje geeft
de kippen voer.
Aan wie geeft( gezegde) het meisje (onderwerp) voer (lijdend
voorwerp)?
antwoord: de kippen = meewerkend voorwerp
2. De regering geeft
het onderwijs extra geld.
Aan wie geeft (gezegde)
de regering (onderwerp) extra geld (lijdend voorwerp) ?
antwoord: het onderwijs = meewerkend voorwerp