Werkwoordspelling
1.
Bepaal de
werkwoordsvorm
(niveau brugklas 2
en 3 havo/vwo)
2.
De tegenwoordige tijd
(niveau brugklas)
3.
De tegenwoordige tijd
(niveau
2 havo/vwo)
4.
De tegenwoordige tijd
(niveau brugklas)
5.
De tegenwoordige tijd
(brugklas/niveau 2 havo/vwo)
6.
Zwakke, sterke of
onregelmatige werkwoorden
(2/3 havo/vwo)
7.
De verleden tijd van zwakke werkwoorden
(niveau
brugklas 2havo/vwo)
8
.
De verleden tijd van sterke werkwoorden
(niveau brugklas 2havo/vwo)
9.
De verleden tijd van
zwakke en sterke werkwoorden
(niveau brugklas 2havo/vwo)
10.
Voltooide deelwoorden
voor zelfstandige naamwoorden
(niveau
brugklas 2havo/vwo)
11.
Voltooide en
onvoltooide deelwoorden (niveau
3/4 havo/vwo)
12
.
Volt. deelwoorden
en persoonsvormen in de tegenwoordige en
verleden tijd
(niveau
3/4 havo/vwo)
13.
Volt.
deelwoorden en persoonsvormen in de tegenwoordige en
verleden tijd
(niveau 3/4 havo/vwo)
14.
Kruiswoordpuzzel
(Volt. deelwoorden
en persoonsvormen in de tegenwoordige en
verleden tijd)
(niveau 4/5 havo/4/5/6vwo)
15.
Alles door elkaar 1
(niveau
brugklas havo/vwo 2 havo/vwo)
!
16.
Alles door elkaar
2
(niveau
3/4 havo/vwo)
17.
Alles door elkaar
3
(niveau 5 havo - 5/6vwo)
18.
Engelse werkwoorden
(niveau
4/5 havo/4/5/6vwo)
19.
Spellingtoets 1
20.
Spellingtoets
2
Meer oefeningen :

