Zet voor en na de hoofdzin(zin) twee strepen.
Zet eronder met wat voor een bijzin je te maken hebt.
Je houdt een aantal benamingen
van bijzinnen over!
Voorbeeld 1
Ondanks het slechte weer
II
was het een leuk weekend II.
Bijzin = bijwoordelijke bijzin (ondanks
het het slechte weer)
Voorbeeld 2
ll Het is regenachtig weer ll,
maar ll ik ga toch fietsen ll.
Twee hoofdzinnen