De
persoonsvorm
Een werkwoord noemen we de persoonsvorm als die
in een zin aangeeft:
a. de tijd (tegenwoordige of verleden
tijd) : ik 
b. enkelvoud of meervoud : zij

Als je de persoonsvorm zoekt, kun je het beste
de zin in een andere tijd zetten. Het werkwoord dat
verandert, is de persoonsvorm.
Voorbeeld
:
1a.Ik
moet
de opgaven nog
maken.
1b. Ik moest
de opgaven nog maken
2a. Ik zoek
dat op Cambiumned op.
2b. Ik zocht
dat op Cambiumned op
In
niet-vraagzinnen is de persoonsvorm het tweede
zinsdeel.