Nu moet ik nog in ´t eenzaam dwalen!...
ô Noodlot! al te wreed!
Ik kan, gedrukt door zoo veel leed,
Maar naauwlijks adem halen!
Mijn vriend zit aan de zij
Van zijne Elize stil en vrij,
En kuscht en streelt haar zonder vreezen;
En ik mag naauw mijn Fillis zien!
Haar slegts ter sluik een kuschje biên!
Kan dit mijn smart geneezen?
Ben ik dus niet met recht verstroord?
Heb ik geen reden om te klaagen?
De min heeft slegts mijn beê verhoort,
Om mij nog meer te plagen!