Arent Peter Gysen,
met Mieuwes, Jaap en Leen
En Klaasjen, en
Kloentjen, die trocken tsamen
heen,
Na t Dorp van
Vinckeveen:
Wangt ouwe
Frangs
Die gaf sen
Gangs,
Die worden of
ereen.
Arent Pieter Gysen die
was so reyn int bruyn,
Sen hoedt met bloem
fluwiel die sat hyn vry wat kuyn,
Wat scheefjes en wat
schuyn,
Soo datse
bloot
Ter nauwer
noot
Stongt hallif op sen
kruyn.
Maer Mieuwes en
Leentjen en Jaapje, Klaas en Kloen,
Die waren ekliedt noch
op het ouwt fitsoen.
In t root, in
t wit, in t groen,
In t grijs, in
t graeuw,
In t paers, in
t blaeuw,
Gelijck de Huysluy
doen.
Als nou dit vollickje
te Vinckeveen anquam,
Daer vongdese Keesjen
en Teunis en Jan Schram
En Dirck van
Diemerdam,
Mit Symen
Sloot
En Jan de
Doot,
Met Tijs en Barent
Bam.
De Meysjes vande Vecht
en vande Vinckebuurt,
Die hadden heur tuychje
ten wongderlijck eschuurt,
O se waren so
eguurt!
Maer denckt iens :
Fy
Had lange
Sy
Heur Ongher-riem
ehuurt.
Sy ginghen in t
selsip: daar worden so eschrangst,
Gedroncken, gesongen,
gedreumelt, en gedangst,
Gedobbelt en
gekangst!
Men riep om
wijn,
Het most soo
sijn,
Elck Boerman was en
Langst.
Maer Mieuwes en
Trijntje, die soete slechte sloy
Die liepen met
menkander uytten huys in t
Hoy,
Met sulck
geflickefloy,
En suck
gewroet,
Och t was soo
soet,
Mijn docht het was soo
moy!
Aelwerige Arent, die
trock het ierste mes,
Tuege Piete
Kranck-hooft en Korselige Kes,
Maar Brangt van
Kaallenes,
Die nam een
greep,
Hy kreegh een
keep,
Mit noch een boer vijf
ses.
De Meysjes die liepen
en lieten dat geschil,
Kannen noch kandelaers,
noch niet en stonger stil;
Maer Kloens die stack
en hil
Soo dapper
uyt
Dat een
Veen-puyt
Daar dood ter aerden
vil.
Symen nam de rooster,
de beusem en de tangh
En wurrepse Ebbert en
Krelis vuer de wangh
Het goetjen gingh sen
gangh,
Het sy duer t
glas,
Of waer t dan
was,
Mijn blyven was niet
langh.
Ghy Heeren ghy Burgers,
vroom en wel gemoet,
Mydt der Boeren
Feesten, sy zijn selden soo soet
Of t kost yemand
zijn bloet,
En drinckt met
mijn
Een roemer
Wijn,
Dat is jou wel soo
goet.