Hier leyt een fijn-man,
die wel eer
Stierf door sijn eygen lijf-geweer:
Wijl hy daer mee, om tijt verdrijf,
Wat speelden op sijn buur-vrouws lijf.
Waer hy nu is kan ick niet gissen:
Maer'k souw schier wel gelooven, dat
Hy't Paradijs heel vlack sal missen,
Soo hy de wegh soeckt door dat gat
Uit: Tweede Deel Van Thalia, of Geurige
Zang-Goddin (1668)