|
|
|
|
De grijsaard en de jongeling hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!
en weer vooral ook het gespuis van vrouwen buiten uw hart, weer het uit uw kamer; laat alles wat tot u komt onder grote en oorlogszuchtige namen buiten uw raam in de regen staan: het is slecht te vertrouwen en niets gedaan. van uw bloed en van uw hart het gehamer vervulle uw lichaam, verstaat ge, uw leven, uw kluis. zwicht nooit voor lippen: samenzijn is een leugen en alle kussen verraad; alleen een hart dat tegen eigen ribben slaat is een zuiver hart op een
zuivere maat. zie naar mijzelf. ik heb in mijn jeugd mijn leven verslingerd aan duizend dingen van felle en vurige namen, oproeren, liefdes en wat is het alles tezamen nu nog geweest? over hoeveel zal ik mij niet blijven schamen en hoeveel is er dat misschien
nooit geneest?' waarlangs de wereld slaat; zonder zich te beraden stapt hij de deur uit, helder en
zonder vrees.
|
|
|
|