
Edgar du Perron
(1899-1940)
Sonnet van Burgerdeugd
De trammen tuimlen door de lange
straten,
al 't leven buiten en de ramen
dicht,
wat tee voor ons en de avond te
verpraten,
de lamp streelt rustig ons
voornaam gezicht.
Inbrekers, wurgers, rovers en
piraten,
en de eerste zondvloed en het
laatst gericht,
elke onrust heeft ons deugdzaam
hart verlaten,
O tee! o vriendschap! o
kalmerend licht!
Straks 't balsemende donker,
morgen lopen
wij opgefleurd te kopen of
verkopen:
God levert de eerzucht en het
daagliks brood.
Genoeg vermoeienis om 's nachts
te slapen,
alle overgangen tussen lach en
gapen,
en aan het eind, de liefderijke
dood.
Uit: Parlando, Amsterdam,
1941
TERUG BLOEMLEZING