|
A.C.W. Staring
Aan de Maan
Toon ons uw luister, o zilveren maan ! Rijs uit het meer. Lach den zwervenden scheepling aan. Straal, op 's wandelaars donkere baan, In uw lieflijkheid neer.
Waar zonder hoop de Verlatene smacht, Schemere uw gloog. Waar, naar troosteleze afscheidsklagt, Blij hereenen de Minnenden wacht, Breke uw glinstering door.
Schoon is de Dag, als zijn purpere gloed Vorstelijk stijgt; - Als hij ZINGEND de ontwaakten groet! Maar UW KOMST is den PEINZENDEN zoet, Gij, die flonkert - en ZWIJGT!
|
|
|
|
|