o
Gij, die kommrend sterven moest, en Váder waart,
en míj liet leven, en me teder léerde
leven
met uw zacht spreken, en uw strelend handen-beven,
en, toen ge stierft, wat late zon op uwe baard;
ik,
die thans ben als een die in de avond vaart,
en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven
door zoele zomer-winden in de lage reven,
en die soms avond-zoete water-bloemen
gaêrt,
en zingt
soms, onverschillig; en zijn zangen glijden
wijd-suizend over 't matte water, en de weiden
zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn
lied...
Zó
vaart mij leve' in vrede en waan van dóod begeren
tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren,
neigend, mijn aangezicht uw aangezichte
ziet.