De samengestelde zin
Een zin met één persoonsvorm
noemen we een enkelvoudige zin.
Een zin met meer dan één persoonsvorm noemen we een samengestelde
zin.
Een samengestelde zin kan bestaan uit:
- hoofdzinnen of
- uit (een) hoofdzin(nen) en (een) bijzin(nen).
In een hoofdzin staat de persoonsvorm vooraan of na
het eerste zinsdeel.
voorbeelden:
Ga je mee tennissen?
Ik ga vanmiddag tennissen.
Hoofdzinnen kunnen met elkaar verbonden worden door de voegwoorden en,
maar, want of of.
voorbeelden:
Het is al laat en
daarom kom ik vanavond.
Het is al laat, maar ik kom toch vanmiddag.
Ik kom vanavond want het is al laat.
Kom je vanmiddag of kom je vanavond?
Opmerking:
In een hoofdzin kun je nooit het woordje 'niet' tussen de
persoonsvorm en het onderwerp zetten.
In een bijzin staat de persoonsvorm (bijna)
achteraan.
voorbeelden:
Hij zei dat hij vanmiddag ging tennissen.
Hij zei dat hij meer dan drie uur getennist had.
Een bijzin begint bijna altijd met een verbindingswoord.
Bijzinnen kun je benoemen als zinsdelen
en zinsdeelstukken.
voorbeelden:
- Wie de wedstrijd wint, wordt
clubkampioen.
wordt clubkampioen = hoofdzin
wordt clubkampioen = naamwoordelijk gezegde; wordt = werkwoordelijk deel; clubkampioen = naamwoordelijk deel; wie de wedstrijd wint = onderwerp(zin)
*Voor de duidelijkheid zet je er zin of bijzin
achter.
- Zij wordt later wat haar moeder
is.
zij wordt later = hoofdzin
wordt wat haar moeder is = naamwoordelijk gezegde; wordt = werkwoordelijk deel; wat haar moeder is = naamwoordelijk gezegdezin; zij = onderwerp
later = bijwoordelijke bepaling
- Hij zegt dat hij het niet
gedaan heeft.
Hij zegt = hoofdzin
hij = onderwerp; zegt = werkwoordelijk gezegde; dat
hij het niet gedaan heeft = lijdend voorwerpzin
- Wie doorrijdt, geeft hij een
waarschuwing.
geeft hij een waarschuwing = hoofdzin
geeft = werkwoordelijk gezegde; hij = onderwerp; een
waarschuwing = lijdend voorwerp; wie doorrijdt = meewerkend
voorwerpzin
- Omdat het
bleef regenen, werd het
kampioenschap afgelast.
werd het kampioenschap afgelast = hoofdzin
werd afgelast = werkwoordelijk gezegde; het kampioenschap =
onderwerp; omdat het bleef regenen = bijwoordelijke bijzin
- Het kind dat daar kruipt, is mijn
neefje.
Het kind is mijn neefje = hoofdzin
is mijn neefje = naamwoordelijk gezegde; is =
werkwoordelijk deel; mijn neefje = naamwoordelijk deel; het kind
= onderwerp; dat daar kruipt = bijvoeglijke bijzin
Tip:
Vervang de bijzin door één woord en ontleed de enkelvoudige
zin.
voorbeeld:

Het woord dat de bijzin vervangt heeft dezelfde functie als de
bijzin.
Dat = lijdend
voorwerp; dat hij het niet gedaan heeft = lijdend
voorwerpzin
Theorie en oefening beknopte bijzin