Naar de beginpagina van CambiumNed

 

   

De spelling van de werkwoordsvormen 
 

 

Welke werkwoordsvormen zijn er?

 

De persoonsvorm

 

Het voltooid deelwoord

 

Het onvoltooid deelwoord

 

De infinitief

 

Engelse werkwoorden



Spellingtoets


 

Oefeningen 

 SNEL ZOEKEN:

 
Web www.cambiumned.nl
taaladvies.net woordenlijst.org

 


 

 

 

 

 

 

 

         

De persoonsvorm ziet er in de tegenwoordige tijd zo uit:

(De stam van het werkwoord is de vorm die je krijgt als je het werkwoord in de tegenwoordige tijd vervoegt met 'ik'.)

 


 

     stam

     ik loop
     loop jij?

     enkelvoud    


 

     stam + t

     jij/ u loopt
     hij/zij/het loopt

     meervoud

     hele werkwoord

 

     wij lopen
     jullie lopen
     zij lopen

 

Oefeningen

1. De tegenwoordige tijd (niveau brugklas)

2. De tegenwoordige tijd (niveau 2 havo/vwo)

3. De tegenwoordige tijd (niveau brugklas)

4. De tegenwoordige tijd (brugklas/niveau 2 havo/vwo)
 


Wel of geen t bij werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd

       


        De persoonsvorm in de verleden tijd ziet er als volgt uit:

 

 


     

sterke werkwoorden
enkelvoud en meervoud


klinker in de stam verandert:
ik/jij/hij/zij/ het liep, wij/jullie/zij liepen




hele stam verandert
ik/jij/hij/zij/het ging, wij/jullie/zij gingen



zwakke werkwoorden
enkelvoud en meervoud


stam + de(n)
ik/jij/hij/zij/het gooide, wij/jullie/zij gooiden


 


stam + te(n)
ik/jij/hij/zij/het stopte, wij/jullie/zij stopten



Als de stam eindigt op één van de medeklinkers uit 't kofschip of 't fokschaap schrijf je stam + te(n). Anders schrijf je altijd de(n).

Opmerking:

Bij zwakke werkwoorden als verven en verbazen verandert de
v  en z aan het eind van de stam in een of een s : ik verf , ik verbaas.

In de verleden tijd krijgen ze echter
de(n)  (ik verfde, ik verbaasde) omdat in het hele werkwoord een z en een v  staan.

Zie ook de pagina: persoonsvorm


Oefeningen

1. De verleden tijd van zwakke werkwoorden (niveau brugklas 2havo/vwo)

2. De verleden tijd van sterke werkwoorden (niveau brugklas)

3. De verleden tijd van zwakke en sterke werkwoorden (niveau brugklas 2havo/vwo)

4. Zwakke, sterke of onregelmatige werkwoorden (2/3 havo/vwo)

Hoe gebruik je het Kofschip?


 



Voltooide deelwoorden

 

 
-
Voltooide deelwoorden eindigen op -en : gelopen, verdronken, gesneden
  Ze veranderen nooit, ook niet als ze bijvoeglijk worden gebruikt:
  De gelopen race, het verdronken paard, het gesneden brood
    
  Uitzonderingen op deze regel vormen deelwoorden die eindigen op -n. Als
  je deze bijvoeglijk gebruikt, moet je ze zo kort mogelijk schrijven.
  (vergaan - vergane, gezien - geziene)

 

  
- Eindigen op -d of -t : gered, gewit
  Als je ze bijvoeglijk gebruikt komt er een e achter
  Je schrijft ze dan:
           -  zoals je ze hoort: het geredde paard, het gewitte plafond
           -  zo kort mogelijk: de gehate dictator, de gepote bloembollen
     

 

 

Onvoltooide deelwoorden

 


Onvoltooide deelwoorden eindigen op d(e).
Voorbeelden:
zwaaiend(e), lachend(e), fietsend(e), etc.

Oefeningen

1. Voltooide en onvoltooide deelwoorden (niveau 3/4 havo/vwo)

2. Volt. deelwoorden en persoonsvormen in de tegenwoordige en verleden tijd (niveau 3/4 havo/vwo)

3. Volt. deelwoorden en persoonsvormen in de tegenwoordige en verleden tijd (niveau 3/4 havo/vwo)

 

 

 

 

De infinitief (onbepaalde wijs)

 


Als we een werkwoord moeten vervoegen gaan we uit van de infinitief. In een woordenboek  wordt van werkwoorden altijd de infinitief gegeven. 
De infinitief eindigt bijna altijd op -en: lopen, werken, leren, lachen etc.  
Uitzonderingen: slaan, staan, gaan etc.


Engelse werkwoorden

 


Engelse werkwoorden worden vervoegd als zwakke werkwoorden in het Nederlands. Ze krijgen in de verleden tijd stam plus -de(n). 
Voorbeelden:
rugbyde, jogde, tackelde

Als de stam eindigt op één van de medeklinkers uit 't kofschip of 't fokschaap schrijf je stam +te(n)
Voorbeelden:
faxte, racete

Oefening

Engelse werkwoorden  (niveau 4/5 havo/4/5/6vwo)

 

Andere oefeningen

1. Kruiswoordpuzzel (Volt. deelwoorden en persoonsvormen in de   tegenwoordige en verleden tijd) (niveau 4/5 havo/4/5/6vwo)

2. Alles door elkaar 1 (niveau brugklas havo/vwo 2 havo/vwo)

3. Alles door elkaar 2 (niveau 3/4 havo/vwo)

4. Alles door elkaar 3  (niveau 5 havo - 5/6vwo)

5. Spellingtoets 1

6. Spellingtoets 2

Test

 

   

 

 

[bibliotheken] [documenteren] [cabaret] [jeugdliteratuur] [literatuur] [Nederlands] [poëzie]
[extra oefeningen] [schrijvers] [thema's] [uitgevers] [uittreksels] [oefeningen op
CambiumNed]
[taalspelletjes]