Naar de beginpagina van CambiumNed

 

 

 

STIJLFIGUREN


Stijlfiguren gebruik je om indruk te maken op een luisteraar of lezer.
Het zijn middelen om dat wat je wilt zeggen, treffender of sterker uit te drukken.

     1. Eufemisme     10. Homoniemen
     2. Understatement

    11. Asymmetrie

     3. Litotes     12. Tegenstelling
     4. Hyperbool     13. Paradox
     5. Prolepsis     14. Ironie 
      6. Herhaling, tautologie en pleonasme     15. Retorische vraag
     7. Enumeratie (anti)climax     16. Beeldspraak (vergelijking, metafoor,
     8. Woordspeling            synesthesie, personificatie en metonymia)
     9. Synoniemen

           

    Zie ook :

 

 
Web www.cambiumned.nl
nl.wikipedia.org www.nederlands.nl

 


 

 

 

1.Eufemisme

Het op een verzachtende manier / nette manier onder woorden brengen van iets wat  niet zo prettig of netjes is.

Gisteren hebben we opa naar zijn laatste rustplaats gebracht.
Zij  werkt daar als interieurverzorgster.
'Hoe is het met uw stoelgang?', 
informeerde de dokter.

2.Understatement

Het op een spottende manier iets verkleinen of verzwakken. Het verschil met het eufemisme zit hem in de spot.

Toen zijn partij weer vier zetels had gewonnen in de peilingen reageerde de fractieleider met: 'Niet slecht'.
Ik had een twee voor het proefwerk, ik had dus wel een paar foutjes gemaakt.
'
Ik doe dat wel even', zei de man toen hij het brandende huis in rende om zijn kinderen te redden.

3. Litotes

De litotes lijkt op een understatement. Het is een stijlfiguur waarbij je schijnbaar iets ontkent of verkleint met het doel datgene wat je bedoelt des te meer uit te laten komen.

Daar ben ik niet blij mee.
Dat is niet onwaarschijnlijk.
I
k vind dat geen verkeerd plan.


 

4.Hyperbool

Bij een hyperbool wordt iets op een overdreven manier uitgedrukt. Je gebruikt een hyperbool om iets te laten opvallen.

In Nederland regent het zomers 29 van de 30 dagen.
Je wordt doodgegooid met informatie over de verkiezingen.
Ik heb wel een
eeuw op je staan wachten.

5. Prolepsis (vooropplaatsing)

Bij een prolepsis wordt een woord of woordgroep voor in de zin geplaatst waardoor er de nadruk op valt.

De etterbak, ik wil hem niet meer zien.
Deze foto, ik had die liever niet geplaatst.
Op tv, in de krant, op internet, overal kom je die afbeelding tegen
.

6.Herhaling, tautologie en pleonasme 
Als je een mededeling meer nadruk wil geven, kan je twee keer (ongeveer) hetzelfde zeggen.
We onderscheiden drie manieren: 

A. Herhaling (repetitio)
Je gebruikt twee keer hetzelfde woord.

Geld, geld is het enige wat hem bezig houdt.    
Ja, ja, je kunt me nog meer vertellen.
Nooit, nooit ga ik daar nog eens naar toe!

B. Tautologie 
Je zegt twee keer hetzelfde met verschillende woorden. De woorden betekenen ongeveer hetzelfde en behoren tot dezelfde woordsoort.

Dat weet hij wis en waarachtig wel.
Zij kenden daar heg  noch steg.
Hij werd met veel pracht en praal begraven.

 
Alles kan beter - Pleonasme en tautologie
 

C. Pleonasme
Je zegt twee keer ongeveer hetzelfde met verschillende woorden en de woorden behoren tot verschillende woordsoorten. Je gebruikt het om een eigenschap van iets te benadrukken.

De gele zonnebloemen maken de kamer veel gezelliger.
In deze
witte sneeuw heb ik een zonnebril nodig.
De
grijze mist maakt de straat nog troostelozer.

oefening

7.Enumeratie (opsomming)

Een enumeratie gebruik je om iets te benadrukken. Meestal zit er in de opsomming een climax (een in kracht toenemende rij) of een anticlimax (een in kracht afnemende rij).

Twee, zes, twintig, honderd mensen kwamen naar het feest toe.
Zij was eerst
Miss Almelo, toen Miss Holland en uiteindelijk Miss World.
Multatuli schreef in de 'Max Havelaar':
Want aan U draag ik mijn boek op, Willem de Derde, Koning, Groothertog, Prins... meer dan Prins, Groothertog en Koning... Keizer van het  prachtige rijk van Insulinde dat zich slingert om de evenaar, als een gordel van smaragd...
Hij is wereldberoemd, nou ja... in Nederland, eh in Zaltbommel dan. Ik bedoel: daar hebben ze van hem gehoord.

 

8.Woordspeling 
Een woordspeling gebruik je om een grappig effect te bereiken.
Bij een woordspeling worden één of meer woorden in twee betekenissen tegelijk gebruikt.

Mensen die gestoord willen worden, zijn het meestal al.
De spaarlamp werpt nieuw
licht op de techniek.
Zijn
drukwerk maakte de stilte niet minder drukkend.

9.Synoniemen
Synoniemen zijn woorden met ongeveer dezelfde betekenis.

rijwiel - fiets
graven - spitten
gelukwensen - feliciteren

oefening

10.Homoniemen
De woorden zijn qua vorm en klank hetzelfde, maar hebben een andere betekenis.

bal (feest, rond voorwerp)
blik (dun metaal, oogopslag)
was (wasgoed, vetachtige stof) 

11.Asymmetrie
Doordat je dingen bij elkaar zet waartussen geen verband is, ontstaat een grappig effect.

Zij had mooi blond haar, prachtige ogen, een krachtige kin en een pukkel op haar neus.

12.Tegenstelling (antithese)
Bij een tegenstelling worden tegengestelde dingen gecombineerd zodat ze meer opvallen.

Ik heb voor goed geld slechte spullen gekocht.
In het
stille dal knettert het overal.
's Lands
grootste kruidenier gaat op de kleintjes letten.

oefening

13.Paradox
Een paradox is een schijnbare tegenstelling. Hij bestaat uit een combinatie van dingen die op het eerste gezicht niet kan, maar die, als je nog eens nadenkt, wel degelijk mogelijk is.

Schrijven is de kunst van het schrappen.
Weinig alcohol kan te veel zijn.
Hoe
gespecialiseerder iemand is, des te minder kan hij.

14.Ironie 

Ironie wordt vaak gebruikt om te laten merken dat je het ergens niet mee eens bent.
Bij ironie zegt iemand vaak het tegengestelde van wat hij bedoelt. Daarbij wordt veel gebruik gemaakt van andere stijlmiddelen als overdrijvingen, understatements en beeldspraak.

'Je kletst me de oren van het hoofd', zei de leraar tegen het verlegen meisje.
'
Het ziet er weer schitterend uit', zei de trainer toen we in de drenzende regen liepen.
De ANWB meldde dat de
gipsvluchten het dit jaar weer goed hadden gedaan
 

 
Inburgeringscursus - ironie

15.Retorische vraag

Een retorische vraag is een vraag waarop je geen antwoord verwacht. Het antwoord zit namelijk in de vraag opgesloten.

Een leraar tegen z'n klas: 'Denk je dat ik dit nog een keer ga uitleggen?'
Liggen we hier niet lekker?
Hebben wij dat niet allemaal wel eens gewild?

 

16.Beeldspraak

  • vergelijking
    Je vergelijkt iets met iets anders omdat er overeenkomst is.Het beeld wordt ingeleid door 'als' of een vorm van het werkwoord 'lijken'.

Lachen als een boer die kiespijn heeft. 
Hij ging er als een haas vandoor.
Je kamer lijkt wel een kloostercel.

  • metafoor
    Je geeft iets de naam van iets anders omdat er overeenkomst is

Kijk de zon gaat onder, het meer staat in brand.          
Dat schaap heeft zich laten beetnemen.
Wat zit jij mistig te kijken.

  • synesthesie

Een combinatie van indrukken van verschillende zintuigen.

Schreeuwende kleuren
Een warme stem
Bittere woorden
 

  • personificatie
    Iets wordt voorgesteld als een levend mens.

De wind floot door de takken.
Roken heeft mijn hart gestolen. 
Soms lacht de toekomst je toe.

  • metonymia
    Bij een metonymia geef je iets direct de naam van iets omdat er een ander verband dan overeenkomst is. 

Gisteren dronk hij een glaasje te veel.
Er zijn in Rome drie
Rembrandts gestolen.
Geef me de
vijf , zei de vrouw.  

oefening


Alles Kan Beter -
Jongerentaal