Taalquiz
Welk woord moet je invullen?
Dat is .... iPhone.
- jou
- jouw
Ken je de man .... daar woont.
- die
- wie
Ik woon ... een McDonald's.
- boven
- op
Er .... nog 4 passagiers.
- missen
- ontbreken
Je moet zo snel mogelijk .... .
- beantwoorden
- antwoorden
We zijn ..... gekomen.
- iedereen
- allemaal
.... is geslaagd.
- iedereen
- allemaal
Deze soep ... nergens naar.
- smaakt
- proeft
Hij gaat naar .... .
- thuis
- huis
Hij ... de wedstrijd af.
- gelastte
- lastte
Na .... overleg hebben we voor de eerste mogelijkheid
gekozen.
- amper
- ampel
Zo oud ben ik niet, ik ben.... 40!
- amper
- ampel
Jan beweegt zich nogal .... .
- houterig
- houtig
Hoe gaat het met ... vader?
- u
- uw
Hij heeft allen nog een paar .... .
- bv's
- bv'en