Bijvoeglijke naamwoorden

 

Bijvoeglijke naamwoorden kun je voor een zelfstandig naamwoord zetten. Ze noemen een eigenschap van het zelfstadig naamwoord. Bijvoeglijke naamwoorden krijgen in principe de uitgang -e: Het goede boek. De moeilijke oefening. Onhandige jongen.
Niet altijd staat er een bijvoeglijk naamwoord voor een zelfstandig naam woord.
Voorbeelden:
De opgave is moeilijk.
De voetballers waren zenuwachtig.
Ze lijken me niet onaardig.
Ze zeggen hier iets over een zelfstandig naamwoord of het onderwerp. Moeilijk, zenuwachtig en onaardig vormen hier het naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde.

Er zijn vier situaties waarin een bijvoeglijk naamwoord niet de uitgang -e krijgt:
1. Wanneer het zelfstandige naamwoord onzijdig is, krijgt het bijvoeglijk naamwoord bij de onbepaalde vorm geen uitgang. Bij de bepaalde vorm krijgt het echter gewoon de uitgang -e: Een mooi kind – Het mooie kind
2. Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een materiaal aanduidt, krijgt het de uitgang -en: De houten lepel, de koperen bel
3. Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een essentieel deel is van de combinatie met het zelfstandig naamwoord, krijgt het geen -e. Bijvoorbeeld: Het meewerkend voorwerp, het openbaar onderwijs
4. Soms wordt tussen een onbepaald lidwoord en het zelfstandig naamwoord een bijvoeglijk naamwoord zonder -e gebruikt. In dat geval hebben ze een bijzondere betekenis: Een groot staatsman, een talentvol dichter
5. In het Nederlands worden de trappen van vergelijking meestal gevormd door de achtervoegsels -er en -st achter een bijvoeglijk naamwoord te zetten (Zie De trappen van vergelijking).