Loading

Voorzetselvoorwerp

 

Een voorzetselvoorwerp begint altijd met een vast voorzetsel.

Een voorzetselvoorwerp komt voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel.

Het voorzetsel verbindt het voorzetselvoorwerp met het gezegde.

Enkele voorbeelden:

   1. Ik twijfel aan deze methode. (twijfelen aan)

   2. Ik ben niet tevreden met deze computer. (tevreden zijn met)

   3. Ik luister niet graag naar hem. (luisteren naar)

   4. Ik waarschuwde haar voor de gevolgen. (waarschuwen voor)

   5. Ik verlang al maanden naar de skivakantie. (verlangen naar)

De onderstreepte zinsdelen zijn voorzetselvoorwerpen.

Bijwoordelijke bepaling (bwb) of voorzetselvoorwerp (vv)?

Als het zinsdeel dat begint met het voorzetsel een plaats aangeeft, is het een bijwoordelijke bepaling.

Voorbeelden:

    1.Deze jongen staat werkelijk voor niets. (voor niets = vv)
       De genodigden stonden voor een gesloten deur. (voor een gesloten deur = bwb)

    2. Zij hingen aan zijn lippen. (aan zijn lippen = vv)
        De jas hangt aan de kapstok. (aan de kapstok = bwb)

    3. Zij heeft veel plezier in haar nieuwe baan. (in haar nieuwe baan = vv)
        Zij werkt heel vaak in de mediatheek. (in de mediatheek = bwb)

    4. Zij wacht op haar vriendinnen. (op haar vriendinnen = vv)
        Hij wacht op het schoolplein. (op het schoolplein = bwb)

 

 

 

Uitleg filmpje 1

Uitleg filmpje 2

CambiumNed op Learnbeat