Loading

Versvormen

 

Gedichten bestaan uit één of meer strofen. Deze worden gescheiden door een witregel.

 

Strofen onderscheiden we op grond van het aantal versregels:

  • twee regels: distichon
  • drie regels: terzine of terzet
  • vier regels: kwatrijn
  • vijf regels: kwintijn of quintet
  • zes regels: sextet
  • zeven regels: septet
  • acht regels: octaaf

 

Als je let op het hele gedicht dan onderscheiden we o.a. de volgende versvormen:

Volksballade

Een lang strofisch gedicht waarin op eenvoudige wijze een romantisch verhaal wordt verteld.

Voorbeeld: Heer Halewijn

Rondeel

Gedicht van acht, twaalf of dertien regels. Er worden twee rijmklanken gebruikt en één versregel wordt herhaald. In de Renaissance moesten regel 1, 4 en 7 en 2 en 8 gelijk zijn. Bij twaalf of dertien regels 1, 7 en 12 of 13 en (soms) 2 en 8.

Die door de wereld zal geraken,
die moet konnen huilen metten honden
ende moet ook konnen diverse spraken. (je taal aanpassen)
Die door de wereld zal geraken,
hier waarheid zeggen ende ginder missaken, (leugens)
voren zalven ende achter wonden.
Die door de wereld zal geraken,
die moet konnen huilen metten honden.

Anthonis de Roovere (1430 – 1482)

Sonnet

Gedicht van 14 regels met twee strofen van vier (kwatrijn) en twee van drie regels (terzine). Vaak volgt er na de achtste regel een verandering. Deze verandering noemt ook wel een chute. Het rijmschema is meestal abba abba cdc dcd.

Aan Olympia
Ick sagh mijn Nimphe in t’ suetste van het Jaer
In eenen beemdt, geleghen aan de sije
Van eenen hof alleen, eerlijck en blije.
Neffens een gracht, waer af het water claer

Geboordt met lis, cruydt en bloemen, veur-waer
Lustigher scheen dan alle schilderije,
Noit man en sagh’ schoonder tapisseije,
Soo schoon was ’t veld gebloeydt soo hier en soo daer.

Als Flora jent sat sij daer op bloemen:
Deur heur schoonheydt magh-men se Venus noemen,
Om heur verstand Minerva wijs van sinne:

Diana oock om heur reyn eerlijck wesen:
Boven Juno is sy weerdt t’sijn gepresen.
T’ sindts die tyd aen queeldt mijn siele om heur minne.

Jan van der Noot (1430 – 1482)

Ode of lofdicht

Een gedicht waarin iets of iemand geprezen wordt.

Voorbeelden:

Ode aan Dordrecht (Cees Buddingh 1918 – 1985)


De Rijnstroom (Joost van den Vondel 1587-1679)
Ode aan een schaal met suikerklontjes (Cees Buddingh 1918 – 1985)

Acrostichon of Naamdicht

Onafhankelijk van de versvorm bevatten sommige gedichten een acrostichon. De beginletters van de versregels vormen samen een woord of een naam.

Voorbeeld: Het Wilhelmus

Hekeldicht

Gedicht waarin misstanden op scherpe wijze aan de kaak worden gesteld.

HET STOCKSKE VAN
JOAN VAN OLDENBARNEVELT
VADER DES VADERLANTS

Myn wensch behoede u onverrot,
O Stock en stut, die, geen’ verrader,
Maer ’s vrydoms stut en Hollandts Vader
Gestut hebt op dat wreet schavot;
Toen hy voor ’t bloedigh zwaert most knielen,
Veroordeelt, als een Seneka,
Door Neroos haet en ongena,
Tot droefenis der braefste zielen.
Ghy zult noch, jaeren achter een,
Den uitgangk van dien Helt getuigen,
En hoe Gewelt het Recht dorf buigen,
Tot smaet der onderdruckte ste?.
Hoe dickwyl streckt ghy onder ’t stappen
Naer ’t hof der Staeten stadigh aen
Hem voor een derden voet in ’t gaen
En klimmen op de hooge trappen:
Als hy, belast van ouderdom
Papoer en schriften, overleende,
En onder ’t lastigh lantspack steende!
Wie ging, zoo krom gebuckt, noit krom!
Ghy ruste van uw trouwe plichten,
Na’et rusten van dien ouden stock,
Geknot door ’s bloetraets bittren wrock:
Nu stut en styft ghy noch myn dichten

Joost van den Vondel (1587-1679)

Elegie of Klaagzang

In een elegie geeft de dichter uiting aan zijn gevoelens van verlies, b.v. bij het verlies van een dierbaar persoon.

Egidiuslied

Egidius waer bestu bleven?
Mi lanct na di gheselle mijn;
Du coors die doot du liets mi tleven.
Dat was gheselscap goet ende fijn,
Het sceen teen moeste ghestorven sijn.

Nu bestu in den troon verheven,
Claerre dan der zonnen scijn;
Alle vruecht es di ghegheven.

Egidius waer bestu bleven?
Mi lanct na di gheselle mijn,
Du coors die doot du liets mi tleven.

Nu bidt vor mi ic moet noch sneven,
Ende in de weerelt liden pijn;
Verware mijn stede di beneven.
Ic moet noch zinghen een liedekijn;
Nochtan moet emmer ghestorven sijn.

Egidius waer bestu bleven?
Mi lanct na di gheselle mijn;
Du coors die doot du liets mi tleven.
Dat was gheselscap goet ende fijn,
Het sceen teen moeste ghestorven sijn.

Epigram of Puntdicht

Kort, grappig gedicht.

Allerlei meisjes

De meisjes op den Nieuwendijk zijn goed,
die van’t water hebben lustige zinnen,
in de Warmoestraat dragen ze hoge hoed,
in de Kalverstraat doen ze niet dan spinnen,
op de Burgwal wonen die waardig zijn om beminnen,
op de Dam daar hebben ze blozende kaken,
maar in de arm mogen zij mij meest vermaken.

Roemer Visscher (1547 – 1620)

Emblema

Afbeelding die iets abstracts uitbeeldt en die van een bijschrift is voorzien.

 sinnepoppen

Hy leut diet leut, ick en leut naet.
(Hij die het geloven wil gelooft het, ik geloof het niet).

Uit: Roemer Visscher Sinnepoppen (1547 – 1620)

Kwatrijn

Zelfstandig gedicht van vier regels.

Zelfmoord

Toen scheidde ons het Leven.
Thans scheidt ons de Dood.
Gij rust. Ik word gedreven.
Langs wroeging, vreugde en nood.

Jacob Israël de Haan (1881-1924)

Vrije of dynamische vers

Gedicht dat aan geen regels is gebonden. Rijm, strofebouw en metrum zijn vrij.

Voorbeelden: Paul van Ostaijen (1896-1928)

Oote oote van Jan Hanlo:

OEFENING