RONDEEL Gedicht van acht, twaalf of dertien regels. Er
worden twee rijmklanken gebruikt en één versregel
wordt herhaald. In de Renaissance moesten regel 1, 4
en 7 en 2 en 8 gelijk zijn. Bij twaalf of dertien
regels 1, 7 en 12 of 13 en (soms) 2 en 8.
Die door de wereld
zal geraken,
die moet konnen huilen metten honden
ende moet ook konnen diverse spraken.
(je taal aanpassen)
Die door de
wereld zal geraken,
hier waarheid zeggen ende ginder missaken,
(leugens)
voren zalven ende achter wonden.
Die door de wereld zal geraken,
die moet konnen huilen metten honden.
SONNET Gedicht van veertien regels met twee strofen van
vier (kwatrijn) en twee van drie regels (terzine).
Vaak volgt na de achtste regel een verandering. Deze
wending noemen we ook wel chute. Het rijmschema is vaak abba - abba - cdc - dcd.
Aan Olympia
Ick sagh mijn Nimphe in t' suetste van het Jaer In eenen beemdt, geleghen aan de sije Van eenen hof alleen, eerlijck en blije. Neffens een gracht, waer af het water claer
Geboordt met lis, cruydt
en bloemen, veur-waer Lustigher scheen dan alle schilderije, Noit man en sagh' schoonder tapisseije, Soo schoon was 't veld gebloeydt soo hier en soo daer.
Als Flora jent sat sij
daer op bloemen: Deur heur
schoonheydt magh-men se
Venus noemen, Om heur verstand Minerva wijs van sinne:
Diana oock om
heur reyn eerlijck wesen: Boven Juno is sy weerdt t'sijn gepresen.
T'
sindts die tyd aen queeldt mijn siele om heur minne.
ACROSTICHON of
NAAMDICHT Onafhankelijk van de versvorm
bevatten sommige gedichten een
acrostichon. De beginletters van de versregels
vormen samen een woord of een naam.
HEKELDICHT Gedicht waarin
misstanden op scherpe wijze aan de kaak worden
gesteld.
HET
STOCKSKE VAN
JOAN VAN OLDENBARNEVELT
VADER DES VADERLANTS
Myn wensch
behoede u onverrot,
O Stock en stut, die, geen’ verrader,
Maer ’s vrydoms stut en Hollandts Vader
Gestut hebt op dat wreet schavot;
Toen hy voor ’t bloedigh zwaert most
knielen,
Veroordeelt, als een Seneka,
Door Neroos haet en ongena,
Tot droefenis der braefste zielen.
Ghy zult noch, jaeren achter een,
Den uitgangk van dien Helt getuigen,
En hoe Gewelt het Recht dorf buigen,
Tot smaet der onderdruckte steên.
Hoe dickwyl streckt ghy onder ’t stappen
Naer ’t hof der Staeten stadigh aen
Hem voor een derden voet in ’t gaen
En klimmen op de hooge trappen:
Als hy, belast van ouderdom
Papoer en schriften, overleende,
En onder ’t lastigh lantspack steende!
Wie ging, zoo krom gebuckt, noit krom!
Ghy ruste van uw trouwe plichten,
Na’et rusten van dien ouden stock,
Geknot door ’s bloetraets bittren wrock:
Nu stut en styft ghy noch myn dichten
ELEGIE
of KLAAGZANG In een
elegie geeft de dichter uiting aan zijn gevoelens
van verlies, b.v. bij het verlies van een dierbaar
persoon.
Egidiuslied
Egidius waer bestu bleven?
Mi lanct na di gheselle mijn;
Du coors die doot du liets mi tleven.
Dat was gheselscap goet ende fijn,
Het sceen teen moeste ghestorven sijn.
Nu bestu in den troon verheven,
Claerre dan der zonnen scijn;
Alle vruecht es di ghegheven.
Egidius waer bestu bleven?
Mi lanct na di gheselle mijn,
Du coors die doot du liets mi tleven.
Nu bidt vor mi ic moet noch sneven,
Ende in de weerelt liden pijn;
Verware mijn stede di beneven.
Ic moet noch zinghen een liedekijn;
Nochtan moet emmer ghestorven sijn.
Egidius waer bestu bleven?
Mi lanct na di gheselle mijn;
Du coors die doot du liets mi tleven.
Dat was gheselscap goet ende fijn,
Het sceen teen moeste ghestorven sijn.
EPIGRAM of PUNTDICHT Kort, grappig gedicht
Allerlei meisjes
De meisjes op den Nieuwendijk zijn
goed,
die van't water hebben lustige
zinnen,
in de Warmoestraat dragen ze hoge
hoed,
in de Kalverstraat doen ze niet dan
spinnen,
op de Burgwal wonen die waardig zijn
om beminnen,
op de Dam daar hebben ze blozende
kaken,
maar in de arm mogen zij mij meest
vermaken.