Opmerking:
Het als persoonlijk voornaamwoord is altijd een zinsdeel; je kunt
het vervangen door het ding of de
zaak: Hij geeft het aan haar. Hij geeft het
ding aan haar.
wederkerig
vnw. : elkaar(s),
elkander
aanwijzend
vnw. : die,
deze, dat, dit, zo'n, dezelfde, zulke en zelf
vragend
vnw. : wie,
wat, welke en wat voor (een)
betrekkelijk
vnw. : die,
dat, wie en wat
Opmerkingen:
- betrekkelijke
voornaamwoorden verwijzen naar een voorafgaand zinsdeel: het
antecedent. Het antecedent staat altijd in
dezelfde zin.
Voorbeelden:
De man die daar staat, is zijn vader.
Het meisje aan wie ik het vroeg, zie ik niet
meer.
- Wat
kan ook een zin als antecedent hebben: je kunt het dan
vervangen door en dat:
Het feest gaat morgen niet door, wat me lelijk tegen
valt. Het feest gaat morgen niet door en dat valt me
lelijk tegen.
- Wie
en wat kunnen ook een ingesloten antecedent
hebben: je kunt wie/wat dan vervangen door de
man die/het ding dat: Wie dat zegt, geloof ik
niet. - De man die dat zegt, geloof ik
niet.
Oefening
1
Hun of hen?
Oefening
2 Hun
of hen?
(niveau bovenbouw havo/vwo)
Oefening
betrekkelijke
voornaamwoorden
Oefening
aanwijzende voornaamwoorden
Oefening
voornaamwoorden
Oefening u
of uw, jou of jouw
Oefening
wederkerende voornaamwoorden
nieuw !
Puzzel over voornaamwoorden
nieuw !