Het voorzetselvoorwerp
Een voorzetselvoorwerp begint
altijd
met een vast
voorzetsel.
Een voorzetselvoorwerp komt voor
bij werkwoorden met een vast voorzetsel.
Het voorzetsel verbindt het
voorzetselvoorwerp met het
gezegde.
Enkele voorbeelden:
- Ik twijfel
aan deze
methode.
(twijfelen aan)
- Ik ben
niet tevreden met
deze computer. (tevreden zijn met)
- Ik luister niet graag
naar
hem. (luisteren naar)
- Ik waarschuwde
haar voor
de gevolgen. (waarschuwen voor)
- Ik verlang al maanden
naar
de skivakantie. (verlangen naar)
De onderstreepte zinsdelen
zijn voorzetselvoorwerpen.
Bijwoordelijke bepaling of
voorzetselvoorwerp?
Als het
zinsdeel dat begint met
het voorzetsel een plaats aangeeft, is het een
bijwoordelijke
bepaling.
Voorbeelden:
1. Deze jongen staat werkelijk voor niets.(voor niets =
voorzetselvoorwerp)
De genodigden stonden voor een gesloten deur. (voor een gesloten
deur.=.bij
-
woordelijke bepaling)
3. Zij hingen aan zijn lippen. (aan zijn lippen = voorzetselvoorwerp)
De jas hangt aan de kapstok. (aan de kapstok =
bijwoordelijke bepaling)
3. Zij heeft veel plezier in haar nieuwe baan. ( in haar nieuwe baan =
voorzetselvoorwerp)
Zij werkt heel vaak in de mediatheek. (in de mediatheek =
bijwoordelijke bepaling)
4. Zij wacht op haar vriendinnen. (op haar vriendinnen = voorzetselvoorwerp)
Hij wacht op het schoolplein. (op het schoolplein =
bijwoordelijke bepaling)