Tijden

Hoe bepaal je tijd van een zin?

Aan het gezegde in een zin kun je zien in welke tijd een zin staat.

Klik op + voor uitleg.

De tijd van een zin bepaal je als volgt:

Staat er een werkwoord in de zin en staat dat in de tegenwoordige tijd?

Ja

De zin staat in de:

onvoltooid tegenwoordige tijd
voorbeeld: ik dans

Nee

De zin staat in de:

onvoltooid verleden tijd
voorbeeld: ik danste

Staan er twee werkwoorden in de zin en is de persoonsvorm een vorm van het hulpwerkwoord hebben of zijn en staat die persoonsvorm in de tegenwoordige tijd ?

Ja

De zin staat in de:

voltooid tegenwoordige tijd
voorbeeld: ik heb gedanst

Nee

De zin staat in de:

voltooid verleden tijd
voorbeeld: ik had gedanst

Is de persoonsvorm een vorm van het hulpwerkwoord zullen, staat die in de tegenwoordige tijd en staat er geen vorm van het hulpwerkwoord hebben of zijn in de zin?

Ja

De zin staat in de:

onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd
voorbeeld: ik zal dansen

Is de persoonsvorm een vorm van het hulpwerkwoord zullen, staat die in de tegenwoordige tijd en staat het hulpwerkwoord hebben of zijn in de zin?

Ja

De zin staat in de:

voltooid tegenwoordig toekomende tijd
voorbeeld: ik zal gedanst hebben

Is de persoonsvorm een vorm van het hulpwerkwoord zullen, staat die in de verleden tijd en staat er geen vorm van het hulpwerkwoord hebben of zijn in de zin ?

Ja

De zin staat in de:

onvoltooid verleden toekomende tijd
voorbeeld: ik zou dansen

Is de persoonsvorm een vorm van het hulpwerkwoord zullen, staat die in de verleden tijd en staat het hulpwerkwoord hebben of zijn in de zin?

Ja

De zin staat in de:

voltooid verleden toekomende tijd
voorbeeld: ik zou gedanst hebben

Zie ook de pagina’s: gezegde en woordsoorten

Voor de vorming van voltooide tijden met hebben of zijn zie: Nederlandse taalunie

De tijden bepalen van zinnen in de lijdende vorm.

 

De acht tijden in het Nederlands: (Klik op + voor uitleg.)

Verleden

O.V.T.

De zin staat in de:

onvoltooid verleden tijd
voorbeeld: ik danste

V.V.T

De zin staat in de:

voltooid verleden tijd
voorbeeld: ik had gedanst

Tegenwoordig

O.T.T.

De zin staat in de:

onvoltooid tegenwoordige tijd
voorbeeld: ik dans

V.T.T.

De zin staat in de:

voltooid tegenwoordige tijd
voorbeeld: ik heb gedanst

Toekomst

O.T.T.T.

De zin staat in de:

onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd
voorbeeld: ik zal dansen

O.V.T.T.

De zin staat in de:

onvoltooid verleden toekomende tijd
voorbeeld: ik zou dansen

V.T.T.T.

De zin staat in de:

voltooid tegenwoordig toekomende tijd
voorbeeld: ik zal gedanst hebben

V.V.T.T.

De zin staat in de:

voltooid verleden toekomende tijd
voorbeeld: ik zou gedanst hebben

 

Uitleg 1

Waar blijft de tijd?

Uitleg 2