Persoonsvorm

 

Als je een zin moet ontleden, zoek je altijd eerst de persoonsvorm. De persoonsvorm is altijd een werkwoord

Een werkwoord noemen we de persoonsvorm als dat in een zin aangeeft:

a. de tijd (tegenwoordige of verleden tijd): ik slaap => ik sliep
b. enkelvoud of meervoud: jij slaapt => jullie slapen

Als je de persoonsvorm zoekt, kun je het beste de zin in een andere tijd zetten. Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.

Voorbeelden:

1a. Ik moet de opgaven nog maken.
1b. Ik moest de opgaven nog maken.

2a. Ik zoek dat op CambiumNed op.
2b. Ik zocht dat op CambiumNed op.

Moet (moest) en zoek (zocht) zijn dus persoonsvormen.

Nog een manier om de persoonsvorm te vinden:

Onderwerp en persoonsvorm moeten gelijk zijn in getal. Als je het onderwerp van getal verandert (enkelvoud<=>meervoud) moet de persoonsvorm mee veranderen (zie ook: congruentie).

Voorbeelden:

1a. Ik moet de trein nog halen.
1b. Wij moeten de trein nog halen.

2a. Wij zoeken dat op CambiumNed op.
2b. Ik zoek dat op CambiumNed op.

Moet (moeten) en zoeken (zoek) zijn dus persoonsvormen.

In niet-vraagzinnen is de persoonsvorm het tweede zinsdeel.

 

 

 

Filmpje 1

Filmpje 2

Filmpje 3