Leesverslag

alles voor je lijst

 

In het leesverslag moeten o.a. de volgende zaken aan de orde komen:

  1. Verwachtingen en eerste reactie

    In dit onderdeel vertel je over wat/wie je er toe bracht dit boek te lezen.
    Verder vertel je wat je van het boek verwachtte en of je verwachtingen 
    uitgekomen zijn of juist niet.

  2. Beknopte samenvatting en analyse
    In de analyse moeten aan bod komen:
  3. Eindoordeel en evaluatie
Personages

Hoofd- en bijfiguren zijn personages in een roman of verhaal.
We maken onderscheid tussen karakters (round characters) en types (flat characters).
Stel vast wie/wat de belangrijkste hoofdperso(o)n(en) en bijperso(o)n(en) zijn.
Wat zijn hun onderlinge relaties?
Beschrijf zowel het uiterlijk als innerlijk.
Als een hoofdpersoon niet uitnodigt tot identificatie spreek je van een antiheld.
Van een karakter kom je veel over zijn gevoelens en gedachten te weten. Een karakter maakt een ontwikkeling door. Types leer je oppervlakkig kennen en vooral het uiterlijk wordt beschreven.
Als de naam van een verhaalfiguur een extra betekenis heeft spreek je van een speaking name.
Identificatie (je kunnen inleven in de hoofdfiguur) is erg belangrijk voor de spanning in een verhaal.

Tijd

Een schrijver speelt met de tijd om het verhaal spannend te maken.
Worden de gebeurtenissen in de volgorde verteld waarin ze zich hebben afgespeeld dan noem je het
een chronologisch verhaal.
De fabel van een verhaal is een korte zakelijke chronologische weergave van de belangrijkste gebeurtenissen.
Een sujet is een samenvatting in de volgorde van het boek.
Een flashback onderbreekt de chronologie van een verhaal, is een terugblik in het verleden.
Een flashforward verwijst naar iets wat nog te gebeuren staat.
Als de schrijver stukken tijd samenvat in een aantal woorden spreek je van tijdverdichting.
Je spreekt van een tijdsprong als de schrijver periodes overslaat (regels wit) en daar geen woorden aan besteedt.
Laat de schrijver de gebeurtenissen langer duren dan ze normaal aan tijd gekost zouden hebben dan maakt hij gebruik van tijdvertraging.
De vertelde tijd geeft aan hoelang de gebeurtenissen hebben geduurd (uren, dagen, jaren…).
De verteltijd is de tijd die schrijver nodig heeft om het verhaal te vertellen ( je drukt de verteltijd uit in regels, pagina’s).

Ruimte

Onder de ruimte verstaan we niet alleen de plaats van handeling, maar ook
het weer, seizoen, verleden en toekomst. De ruimte zorgt voor sfeer en spanning.
Past de ruimte bij de handeling dan spreek je van overeenkomst tussen ruimte
en handeling. Omgekeerd spreek je van contrast tussen ruimte en handeling.

Voorbeeld van handeling die je niet verwacht in deze ruimte:

Perspectief

We onderscheiden de volgende perspectieven:
1. Ik-perspectief

Er is een ik-figuur die beschrijft wat hij meemaakt
of heeft meegemaakt. De ik-figuur is tevens is de ik-verteller.

2. Personaal (hij/zij-) perspectief

Er is een hij- of zij-figuur door wiens ogen je de gebeurtenissen
meemaakt. Je hebt hier te maken met een hij/zij-verteller (= personale verteller)

3. Alwetend of auctoriaal perspectief

De alwetende (auctoriale) verteller neemt niet deel aan de handeling en geeft commentaar op de gebeurtenissen.

Thematiek

1. Motieven

Motieven zijn steeds terugkerende elementen in een verhaal.
We onderscheiden drie soorten motieven:
a. Abstracte motieven (literair historische motieven)
Het gaat hierbij over abstracte (ongrijpbare) begrippen als onmacht, liefde, toeval, eenzaamheid, oorlog.
b. Leidmotieven
Het gaat hier over terugkerende tastbare zaken. Deze hebben een symbolische betekenis.
Een dobbelsteen (toeval) kan bijvoorbeeld een leidmotief zijn.
c. Klassieke motieven
Het gaat hier om verhaalelementen die we al in klassieke verhalen tegenkomen. Denk aan het oedipusmotief.

2. Thema

Het thema (grondmotief ) is de kortste aanduiding van het centrale probleem waar het verhaal over gaat.

3. Titelverklaring

De titel zegt vaak iets over het thema. Soms is de titel duidelijk (De aanslag), maar soms zul je verder moeten zoeken om de betekenis te duiden (Van de koele meren des doods).

4. Motto

Een motto (vaak een citaat of tekstfragment voor in het boek) geeft de bedoeling van het boek weer.
Lang niet elk boek heeft een motto. Een motto is niet hetzelfde als een opdracht.

Stijl

Als je het hebt over ‘de stijl van een schrijver’ bedoel je alles wat
opvallend is aan zijn taalgebruik. Je let op zijn zinnen (kort of lang),
gebruik van bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden, moeilijk of makkelijk
woordgebruik, veel/weinig gebruik van stijlfiguren etc..

 

 

 

 

Literatuurgeschiedenis 20e eeuw