Jacobus Bellamy

Achttiende eeuw

 

bellamy

Jacobus Bellamy (1757 – 1786)
Link: meer over Bellamy

Na een moeilijke jeugd in Vlissingen gaat Jacobus Bellamy in Utrecht studeren. Daar publiceert hij de dichtbundel Gezangen mijner jeugd’ (1782). De bundel gaat vooral over zijn geliefde Francina Baane (in de bundel Filis).
In de achttiende eeuw was Jacobus Bellamy een van de populairste dichters. Naast poëzie schreef hij politieke strijdverzen. Hij was patriot en verdedigt de idealen van de verlichting.
Bekende werken Vaderlandsche gezangen van Zelandus en het gedicht Roosje.

 

 

Kuschje

‘Gij zijt toch immer lastig!
Gij wilt gestadig kusschen! –
Wat doet toch al dat kusschen?
Wat wil dat toch beteeknen?’
Zoo sprak mijn schoone Fillis,
En keek met donkere oogen,
En wende ‘t hoofd ter zijde.
Ik greep haar lieve handjes,
En zei: mijn dierbaar meisje!
Mag ik u dan niet kusschen!…
Zij schudde ‘t hoofd en boog zich,
En drukte met haar lipjes
Mij zagtjes op de wangen.
Zij sloot mij in heur armen,
En zei: ‘wat is een kuschje? –
‘Wat wil het toch beteeknen?’
Mijn allerliefste meisje,
Het is de taal der liefde.
Zoo dikwerf onze lippen
Zich kusschende verëenen,
Dan denk ik: Liefste Fillis,
Gelijk ik met mijn lippen
Thans aan uw mondje kleeve,
Zoo, Liefste, is ook mijn leven
Verbonden aan het uwe.

 

=> Sentimentalisme

 

 

Klagt
Nu moet ik nog in ´t eenzaam dwalen!…
ô Noodlot! al te wreed!
Ik kan, gedrukt door zoo veel leed,
Maar naauwlijks adem halen!
Mijn vriend zit aan de zij
Van zijne Elize stil en vrij,
En kuscht en streelt haar zonder vreezen;
En ik mag naauw mijn Fillis zien!
Haar slegts ter sluik een kuschje biên!
Kan dit mijn smart geneezen?
Ben ik dus niet met recht verstroord?
Heb ik geen reden om te klaagen?
De min heeft slegts mijn beê verhoort,
Om mij nog meer te plagen!

Meer gedichten van Bellamy

 

 

 

dansendpaar