Impressionisme

De periode 1880 - 1910

 

In de schilderkunst verstaan we onder het impressionisme een subjectieve weergave van de werkelijkheid. Lijnen vervagen, licht en kleur worden heel belangrijk. Dit alles doet de kunstenaar om een bepaalde sfeer op te roepen.

 

 

Wat schilders met verf doen, proberen schrijvers met woorden te bereiken. Zij gebruiken daartoe veel sfeerscheppende bijvoeglijke naamwoorden, maken nieuwe woorden (neologismen), vervormen de zinsbouw en gebruiken vaak synesthesieën. Nederlandse schrijvers die zich hiermee bezig hielden waren o.a. Jac. Van Looy, Willem Kloos, Herman Gorter en Louis Couperus.

Voorbeeld impressionistisch taalgebruik:

Hartjesdag.
Buitenom gromde nog de bui. Van het oosten naar het westen schroeide het weërlicht de 
lucht nog telkens open en dan vlaagden de stadsverschijningen weër purperzwart overeinde,
hieven hun spitsigheden als met gebaren van schrik. De laaiende hemelbrand leek nog
neêr te toornen in de pleinen, sulferde voor de uiteinden der straten en deed de vloeren
spiegelen, schoon minder helsch. Het avondleven begon al in de drukke stad. De winkelramen
schitterden gauw ontstoken, kassen vol kunstige bloemen, juweelkasten; de menschen wandelden
de koffiehuizen uit en al meer in 't gladde licht; zoo met kermis tusschen rijen kramen kwam
er geruisch van vreugde onder het wegrommelen van den donder.

Fragment Feesten – Jac.van Looy

=> Louis Couperus

=> Naturalisme – Marcellus Emants