Achtergronden

middeleeuwen

 

De tijd die we de middeleeuwen noemen ligt tussen ongeveer 500 en 1500 na het begin van onze jaartelling. In het begin zien we dat er een einde komt aan de bloeiperiode van het Romeinse rijk en dat er Germaanse rijken ontstaan. Het is de tijd dat de adel een belangrijk rol gaat spelen en waarin de architectuur bepaald  wordt door de Romaanse kunst.
Rond 800 verovert Karel de Grote West-Europa. Hij brengt het christendom (katholicisme) en de officiële taal wordt het Latijn.

 

In de 11de en 12de eeuw zien we dat het economisch en cultureel beter gaat. Het is de tijd van de kruistochten en de ridderschap is toonaangevend, maar ook de geestelijkheid heeft veel macht. In de bouwkunst vervangt de gotische de Romaanse bouwstijl.

In 13de en 14de eeuw wordt een derde stand, de welvarende burgerij (naast de adel en de geestelijkheid) steeds belangrijker. Handel en nijverheid nemen toe en in Zuid-Nederland worden steden als Gent, Brugge, Antwerpen en Brussel belangrijke handelscentra. De uitvinding van het buskruit en de boekdrukkunst zijn belangrijke gebeurtenissen die een grote impact hebben op de samenleving. Burgers gaan zich met literatuur bezig houden in rederijkerskamers.

 

De middeleeuwse samenleving  is hiërarchisch. We spreken van een standenmaatschappij en er is absolute gehoorzaamheid aan iedereen die boven je staat.
Elke stand heeft zijn eigen literatuur en je schreef voor de groep (stand). De schrijver zelf was niet belangrijk vandaar dat het werk veelal anoniem is. In de volgende paragrafen bespreken we de literatuur van de adel, de geestelijkheid en de burgerij.

 

De taal in de middeleeuwen

Als we kijken naar de taal in deze periode is 1170 een belangrijk jaar. Uit de tijd voor dat jaar zijn geen geschreven literaire teksten bewaard gebleven. We noemen deze tijd de Oudnederlandse periode. Wat we weten uit deze over de taal komt van onder andere aantekeningen in Latijnse geschriften.

De eerste literaire tekst is de zin  “Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu?” en dateert uit de elfde eeuw en betekent zoiets als: Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij?

hebban olla vogula1

Wetenschappelijke teksten werden in die tijd in het Latijn geschreven en pas na 1170 werden de eerste volksverhalen geschreven. We kennen wel sprookjes, sagen en dierenverhalen uit de periode voor 1170, maar die zijn mondeling overgeleverd (orale literatuur) en pas later opgeschreven.

=> Kenmerken middeleeuwse literatuur

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hebban olla vogala nestas hagunnan.