In taaluitingen zit ritme. Ritme komt tot stand door afwisseling van meer of minder beklemtoonde lettergrepen. Als dat ritme een bepaalde regelmaat heeft, spreekt men van metrum.

Regelmaat kun je aangeven met ‘versvoeten’. Versvoeten zet je tussen staande streepjes (je noemt dit scanderen). Beklemtoonde lettergrepen (sterk) krijgen het teken – en de minder beklemtoonde (zwak) ∪.
In moderne poëzie en met name in het vrije vers kom je bijna geen metrum tegen. Daarin tref je vaak wel ritme aan.  Woorden en klanken krijgen dan accenten.

De meest voorkomende soorten metrum zijn:

  • jambe (afwisselend zwak – sterk)
    ∪ -|∪ -|∪ -|∪ -|∪ -|
    Een nieu|we len|te en| een nieuw|geluid (Begin van de Mei van Herman Gorter)
  • trochee (afwisselend sterk -zwak) – ∪|- ∪|- ∪|- ∪|-∪|
    Constan|tijntje,| ’t zaligh | kijntje, (Eerste regel van Kinder-Lyck van Joost van den Vondel)
    Beluister het gedicht: 
  • dactylus (sterk – zwak – zwak) -∪ ∪|-∪ ∪|-∪ ∪|-∪ ∪|-∪ ∪|
    Grauw is uw | hemel en | stormig uw | strand (Uit: Holland van Potgieter)
    hollandmetrum
  • anapest (zwak – zwak – sterk) ∪ ∪ -|∪ ∪ -|∪ ∪ -|∪ ∪ -|∪ ∪ -|
    Kan het zijn| dat de lier|, die sinds lang| niet meer ruis|te (Eerste regel van het gelijknamige gedicht van Da Costa)

Het afbreken van versregel op een onnatuurlijke plaats noemen we enjambement.

Enjambementen worden gebruikt om meer aandacht voor de woorden waarbij ze optreden te vragen, om effecten met het ritme te bewerkstelligen en om de spanning op te voeren.

Oefening 1
Oefening 2

Rijm(schema's)