Publieksgerichtheid

Een goede schrijver houdt bij het schrijven van zijn teksten rekening met zijn publiek. Hij past zijn toon en taalgebruik aan bij wat zijn publiek verwacht en ook houdt hij rekening met wat al bekend is over het onderwerp.

Bekijk voordat je verder gaat met de theorie eerst het filmpje hiernaast.

 

 

Om erachter te komen voor welk publiek een tekst geschreven is, moet je letten op:

    • het onderwerp
      Hoe staan de lezers tegenover het onderwerp? Zijn ze geïnteresseerd, staan ze er negatief tegenover of zijn ze neutraal?
    • de inhoud
      Hebben de lezers al enige voorkennis of niet. Ook schat een schrijver in wat zijn publiek wil weten (alleen de hoofdzaken, de achtergronden, verschillende meningen of andere zaken).
    • het taalgebruik
      Een schrijver stemt zijn tekst met zijn taalgebruik en toon af op zijn publiek. Voor jongeren zal hij niet zoveel moeilijke woorden gebruiken en geen lange en ingewikkelde zinnen maken. Zijn toon zal wat informeler en populairder zijn. Voor oudere en hoogopgeleide lezers zal hij zijn taalgebruik aanpassen. Andere teksten kunnen moeilijker geschreven zijn door bijvoorbeeld veel vakjargon (Engelse termen) en veel figuurlijk taalgebruik.
    • de plaats van publicatie
      In de Margriet of Nieuwe Revu zal het taalgebruik anders zijn dan in het artsen tijdschrift Medisch Contact of National Geographic. Bepaalde kranten zoals de NRC en de Volkskrant zijn vooral gericht op een wat hoger opgeleid publiek.
    • de lay-out
      Tijdschriften voor jongeren (Cosmogirl, Yes), roddelbladen (PriveStory) en populaire weekbladen (Panorama, Nieuwe Revu) hebben vaak veel foto’s, gebruiken veel kleuren en grote koppen.
      Populairwetenschappelijke tijdschriften (Kijk, Quest) zijn al rustiger wat betreft lay-out en wetenschappelijke tijdschriften (Onze Taal, Holland Historisch Tijdschrift) zijn qua opmaak nog zakelijker en minder geïllustreerd.

=> Tekstopbouw