Inleiding – middenstuk – slot

 

De inleiding

Een inleiding bestaat uit één of meer alinea’s en heeft als functies  aandacht trekken van de lezer en het introduceren van het onderwerp.

Aandacht trekken kan je bijvoorbeeld door:

  • Het vertellen van een verhaaltje of anekdote over iets dat je hebt gelezen of meegemaakt (een anekdote = grappig en kort verhaal over iets dat echt gebeurd is).
  • In te gaan op een actuele gebeurtenis. Je vertelt iets wat op dat moment veel aandacht krijgt in de publiciteit.
  • De voorgeschiedenis te vertellen. Je gaat in op hoe men in het verleden omging met het onderwerp en maakt daarmee de lezer nieuwsgierig naar de huidige stand van zaken.
  • Het belang van de lezer bij de zaak te benadrukken. Je maakt de lezer attent op de voordelen die hij kan hebben bij het lezen van je artikel.

Bij de introductie van je onderwerp kan je gebruik maken van het stellen van een aantal vragen of het aankondigen van wat je verder in de tekst gaat bespreken. Je geeft jouw mening over het onderwerp of formuleert de vraagstelling/het probleem.

Het  middenstuk

In het middenstuk werk je je onderwerp uit. Je behandelt de deelonderwerpen in een volgorde die wordt bepaald door de structuur waarvoor je hebt gekozen in de inleiding. Als je in je inleiding een aantal vragen hebt gesteld, behandel je in het middenstuk een aantal mogelijke antwoorden(vraag – antwoord structuur). Je kan ook de voor– en nadelen van een probleem behandelen (voordelen – nadelenstructuur). Veel gebruikt is daarnaast de probleem – oplossingsstructuur. In de inleiding kom je met een probleem waarvoor je in het middenstuk (na het behandelen van oorzaken en gevolgen) met oplossingen komt. Bij het gebruik van  een tijdsstructuur vraag je je af hoe een verschijnsel in het verleden is ontstaan, wat er nu gebeurt  en wat we in de toekomst kunnen verwachten? Bij een betoog zal je vaak kiezen voor een argumentatiestructuur.  In de inleiding kom je met een stelling waarvoor je in het middenstuk komt met argumenten (eventueel met weerlegging van tegenargumenten).

Als je de inleiding voorbereidt, kun je het beste vragen maken bij je deelonderwerpen. De antwoorden daarop gebruik je om je tekst te schrijven. Voor de uitwerking van elk deelonderwerp gebruik je één of meer alinea’s.
De kernzin van de alinea geeft de hoofdgedachte weer. Meestal is dat de eerste zin en soms de laatste. Een andere plaats is echter ook mogelijk.

Voorbeeld

Onderwerp: Nieuwe leenstelsel studiefinanciering

Deelonderwerp 1. Hoeveel studenten gaan daardoor niet meer studeren?
Deelonderwerp 2. Hoeveel studenten blijven daardoor thuis wonen of gaan weer thuis studeren?
Deelonderwerp 3. In hoeverre is dit systeem positief voor de kenniseconomie die we zo graag willen?

Het slot

In het slot kom je terug op de in de inleiding gestelde vraag of gegeven probleemstelling. Je kan een korte samenvatting geven, je conclusie geven, een afweging maken, een oproep of aanbeveling doen of je verwachtingen uitspreken.
Kies de afronding die bij je tekst past. Schrijfdoel, soort tekst en gekozen tekststructuur zijn daarbij mede bepalend. Bij een activerende tekst bijvoorbeeld kan je de lezer aanmoedigen een bepaalde handeling wel of niet te doen.
Als je een originele uitsmijter (opvallende uitspraak/voorbeeld) hebt, kan je je tekst daarmee afsluiten.

Oefening