Meervoudsuitgangen

 

Het meervoud van een zelfstandige naamwoord vorm je door er de meervoudsuitgangen -s, ‘s, -en of -n achter te schrijven.

De -s schrijf je er aan vast als dat geen probleem voor de uitspraak oplevert: sektes, tantes, printers, loges en bureaus.
Als je een fout bij de uitspraak kunt maken schrijf je ’s : auto’s, piano’s, alinea’s, baby’s, jury’s en ski’s.

woorden op -ik
Je schrijft 2 k’s als de klemtoon op ik valt: snikken, blikken, likken en tikken.
Je schrijft 1 k als de klemtoon niet op ik valt: monniken, viezeriken en leeuweriken

woorden op -ie of -ee
Je schrijft –ën erbij als de klemtoon op de ie of ee valt: feeën, genieën en reeën.
Je schrijft –n en een trema erbij als de klemtoon er niet op valt: bacteriën, poriën en oliën.

woorden op -f of -s
De f wordt meestal een v en de s vaak een z : kloven, staven, laarzen en kluizen.
Maar: fotografen, parafen en kaarsen!

Let op:
Sommige woorden hebben (ook) een Latijns meervoud: politici, medici, mediums/media, museum/musea.