Aanwijzende voornaamwoorden

Vul het juiste aanwijzende voornaamwoord in. Kies uit: deze, die, dit, dat, dezelfde, zo'n of zulke.

1. Want vindt je leraar van antwoord?
2. Hij wil huis niet kopen.
3. Mijn dochter en ik houden van muziek.
4. jongen zal het wel even maken.
5. iPod is niet van Mathilde.
6. Hij kan niet gezegd hebben.
7. Ik vind dat je niet kunt maken.
8. kan jij niet gezien hebben.
9. Na vreselijke bericht was hij minutenlang stil.
10 houding had hij toen ook al.
11. Wat vindt je collega van antwoorden?
12. Volgens Brixter.nl is huis veel meer waard.